2010 nr 46 - Harry Van Oers
De Dag van de grote ontsnapping
3 mei 1993, die dag neemt hij mee ‘tot in het gat in de grond’ zegt Harry van Oers. Voormalig inspecteur-generaal van het Belgische gevangeniswezen. Op die dag werd hij door drie ontsnapte gevangenen meegenomen op hun vlucht. Elf uur duurde zijn tocht. Nu 17 jaar later heeft hij dat alles beschreven in een boek. Na drie eerdere pogingen en enkele depressies was hij er klaar voor. Maar het boek is niet zomaar een relaas van een bewogen dag. Harry van Oers heeft een mening over ‘het gevangeniswezen’ en ook die wou hij in het boek kwijt. ’t Pallieterke ging op bezoek bij de sympathieke ere-inspecteur-generaal.
’t Pallieterke.: Hoe Bent u betrokken geraakt bij die gijzeling? U werkte toch niet in de gevangenis van Sint-Gillis?
Harry van Oers: Het was een mooie maandag in mei en ik zat op mijn bureau in Brussel, in de schaduw van het justitiepaleis. Rond 10u30 krijg ik telefoon van de directeur van de gevangenis van Sint-Gillis. Hij spreekt me aan bij mijn titel: inspecteur-generaal en dan weet ik dat er iets niet pluis is. Ik zeg: ‘Jef wat is er’. En hij vertelt dat er acht bewaarders gegijzeld en gebonden zijn in het sas (dubbele poort tussen de gevangenis en de straat) door drie gewapende mannen. Ik vraag of ik hen ken. ‘Ja’, zegt hij, ‘Bajrami’. De anderen noemde hij niet. ‘Kan ik iets komen doen’, vroeg ik. ‘Ik denk het wel’, zegt hij en zo ben ik daar geraakt.
’t P.: Hoe komt het dat een inspecteur-generaal een gevangene persoonlijk kent?
HvO: Een inspecteur-generaal is de verbindingsfiguur tussen de gevangenissen en het hoofdbestuur. In het reglement (waarschijnlijk teruggaand op Napoleon) stond dat elke gevangene het recht had om zonder censuur met bepaalde instanties en personen te schrijven, en de inspecteur-generaal was een daarvan. Zo komt het dat ik in mijn carrière met veel gevangenen contact heb gehad.
’t P.: Dan kom je aan bij de gevangenis en er is een gijzeling aan de gang.
HvO: Ik wist dat Bajrami erbij was, die kende ik. Ik had met die man al verschillende gesprekken gevoerd en er was wederzijds respect. Hij was natuurlijk nooit gewapend geweest. Maar hij had verschillende keren een gesprek gevraagd en het telkens gekregen. Twee, drie maand voor de feiten wou hij nog samen met zijn advocate de administratie aanklagen wegens ‘onmenselijk regime’. We bekeken toen samen de conclusies van zijn advocate. En nadat we alles overlopen hadden, zei ik hem: je hebt geen schijn van kans. En toen scheurde hij de conclusies van zijn advocate voor mijn neus kapot.
Maar goed, aan de poort heb ik een discussie met de Rijkswacht gehad. Ik zei tegen de kapitein en de directeur van de gevangenis dat ik de gevangenen wou overtuigen om niet te vluchten en de gijzeling te staken. De Rijkswachtkapitein was, akkoord, maar op mijn eigen verantwoordelijkheid. En toen ben ik binnen gegaan, het poortje stond open, ze wisten dat ik kwam. En daar stond Bajrami.
’t P.: Dacht u echt dat u hen kon overtuigen?
HvO: Ja. Maar na een paar min merkte ik dat het nooit zou lukken. En dan verander je van tactiek en probeer je tijd te winnen. Je probeert het personeel waarvoor je verantwoordelijk bent af te schermen. Toen de wagen werd binnengereden en ze er een riotgun uit tevoorschijn haalden, wist ik het wel. Ik heb gezegd neem mij mee, mij alleen. Uiteindelijk hebben ze vier man meegenomen. Die auto zat vol als bescherming. Ze waren bang dat er geschoten zou worden, ik ook trouwens.
’t P.: Wat doet dat als je met die auto vol gijzelaars uit dat sas rijdt? U weet wat u te wachten staat…
HvO: Voor mij was het gedaan, ik dacht dat het mijn laatste minuut was. Kort voordien was er een bewaarder van de Lantingevangenis doodgeschoten door de Rijkswacht. En dat speelt door je hoofd. Ik zat in de auto ook nog met een riotgun tegen mijn kaak en een granaat naast mijn oor. Ik was vrij gerust dat ze die granaat niet zouden gebruiken, want dan waren ze er zelf ook aan. Maar ik had bij het binnenkomen, gezien wat daar stond van scherpschutters. Je bent heel rustig dan. Je hebt het opgegeven. De film van je leven rolt erg snel af. En mijn conclusie was: Sint Pieter zal me binnen laten. Ik vond de ballans van mijn leven goed
’t P.:Wanneer dacht u dan het komt toch goed.
HvO: Je rijdt die straat in, je ziet de Rijkswacht en de toeschouwers. Het was er muisstil, in die straat en in de auto. Bajrami heeft er later in een interview over gezegd dat ook hij daar een trauma heeft aan overgehouden. In die straat gebeurt niets, ze schieten zelfs niet op de banden. Ik denk dat ze compleet de kluts kwijt waren. Ze wisten niet wat doen. Grandioze stilte. Dan zetten ze de man die vooraan op de auto lag af en dan begon een helse rit door Brussel, en hier end daar werd iemand afgezet. Tot ik alleen over was. Ik heb het ook zo gevraagd.
’t P.: Uiteindelijk laten ze ook u ergens achter.
HvO: Ik heb die dag geleerd hoe je een carjacking en een homejacking moet doen. Dat gaat heel vlot. Ze wilden me ook nog een bank laten overvallen, maar dat heb ik geweigerd.
’t P.: Toen ze u achterlieten, namen ze 4000 frank van u en die hebben ze later terugbetaald.
HvO: In het boek heb ik er een foto van. Op 25 juni kreeg ik een brief van ‘een vriendin’ van Philippe Lacroix met een cheque van 4.000 frank.
’t P.: Verwijt u die drie iets?
HvO: Verwijten? Neen. In het begin ging het goed met mij. Pas in september ging het moeilijk. In november kroop ik in mijn bed en kwam er niet meer uit. Ik woonde aan een bosrand en alles was somber. Een heel raar gevoel, somberte, grijs, …
’t P.: Bent u niet begeleid?
HvO: Neen
’t P.: En de andere cipiers?
HvO: Die heb ik begeleid, samen met een psychiater.
‘t P: U had ook een psychiater?
HvO: Neen, ik ben ’s anderendaags gaan werken. Er is ook nooit aangifte gedaan, het was dus geen werkongeval, ik heb alle kosten zelf betaald. Ook de kosten door mijn depressie. Daardoor ben ik kwaad geworden op die mannen. De carrièrebreuk die ik heb gehad. Daarvoor was ik kwaad. De gedachte dat als zij het nooit hadden gedaan had ik al die miserie niet gehad. Maar dat slijt.
Kijk van de andere kant, mijn leven is helemaal gedraaid. Ik ben ook gescheiden. En in die moeilijke periode waren er mensen die me een hand boven het hoofd hielden, er werd me weinig kwalijk genomen. En dat is geen evidentie. Welke plaats je ook hebt in de rangorde van een organisatie die regelmatig, ongunstig dan nog, in de schijnwerpers komt, dat kweekt jaloersheid. Ik werd beschuldigd van persgeilheid. En mijn oversten of soms ook kabinetsleden verboden me om naar bepaalde gelegenheden te gaan. Zo werd ik ooit gevraagd voor het voorzitterschap van een congres over slachtofferbegeleiding. Ofwel werd er iemand anders aan geduid, of de vraagsteller moest iemand anders voor dragen.
’t P.: Maar waarom, men kan toch niet jaloers zijn op wat u overkomen is?
HvO: Door wat gebeurd is, is de pers naar me beginnen luisteren. Daarvoor vertelde ik hetzelfde verhaal, maar in plaats van de criminologen luisterde nu de pers.
’t P: Want u had kritiek op justitie?
HvO: Ja en dat is gebleven. Ik heb de zaken voorgesteld zoals ze waren daar waar de politici dat niet deden. De ministers vertellen de kijkers en luisteraars de waarheid niet over justitie.
’t P.: Wat is de waarheid over justitie?
HvO: Als er een nieuwe gevangenis werd gebouwd, was dat met veel bombarie. Maar er veranderde niets, de oude gevangenissen bleven. Nu nog moeten ze in drie gevangenissen gewoon in hun cel op de pot. Er zijn geen toiletten. Achter een scherm kunnen ze op de pot. Terwijl de twee andere medegevangenen erbij staan, ze kijken misschien de andere kant op, maar ze ruiken het wel.
’t P.: Is de overbevolking het probleem?
HvO: Ik probeer het breder te zien dan dat. Ik spreek graag over de templum penalis. In 1994 vergeleek ik het op een lezing met een gebouw in dominostenen. Bovenaan heb je de wet. Daaronder heb je de strafvervolgers: de parketten en de onderzoekers, politie, gerechtelijke politie. Daaronder de straftoemeters: de rechters, met de advocaten. Maar niemand spreekt over de onderste verdieping: de strafuitvoerders. Maar de muren van die onderste verdieping barsten. Overbevolking, wat doet dat? Je ziet het met de dominotenen voor je, als de fundamenten barsten en bewegen, dan stort alles in, ook de wet die van boven staat, dondert naar beneden; voor die analyse heeft men geprobeerd me buiten te werken.
’t P.: Maar de situatie is nog altijd dezelfde?
HvO: Je kunt naar die overbevolking kijken als naar een glas, het is halfvol of halfleeg. Je kunt zeggen: er zijn cellen tekort of er zijn teveel gevangenen. Zeg je, er zijn cellen tekort, dan bekijk je het strafrecht als een iets dat zeer repressief moet zijn. Maar de strafuitvoering heeft een ruimere betekenis dan straf en boete. Het is ook een beveiliging en het heeft de bedoeling om recidive tegen te gaan door re-integratie. Je kunt zeggen: er zijn cellen tekort, dus moeten we uitbreiden. Een Amerikaanse criminoloog zei al in de jaren 70 dat hoeveel cellen je ook bouwt, ze raken ooit allemaal vol, er speelt een soort aanzuigeffect.
Je kunt het ook ander s zien. Er is de straftoemeting, strafvervolging en strafbaarstelling door de wetgever. Wat is een misdaad en wat is en straf? Zijn er teveel misdaden? Straffen de rechters meer dan vroeger? Soms wel, ja. Zijn er teveel straffen? Kun je anders straffen? Men kan kiezen in een vork met minimum en maximum straffen, er zijn alternatieve straffen. De wet kan ook veroordelen als straf, er kunnen ook boetes gegeven worden als straf. Sommige witte boordmisdrijven kan men meer straffen door pure beboeting. Er moeten minder en meer gedifferentieerde straffen gegeven worden.
De stijging zit in de straftoemeting, maar ook in de vervolging. De vervolgers doen het ook beter. De oplossingsgraad stijgt. Hoe meer blauw op straat, hoe meer aangiften en dan moet het parket gaan seponeren. Ik pleit niet voor een verminderde ophelderingsgraad. Maar ik pleit voor een supermagistraat die deel uit maakt van het korps en zo goed geplaatst is om te zeggen wat goed moet opgevolgd worden in alle arrondissementen die onder hem ressorteren. Die supermagistraat kan stellen: dit laten we vallen en dat volgen we strikt op. Hij moet zeggen hoeveel er in de gevangenissen terecht komen
’t P.: Maar waaraan ligt de stilstand van justitie?
HvO: Dat heeft te maken met het systeem, de democratie. Het is altijd veel te kort. Men ontwikkelt geen visie. Hier en daar heeft men een aantal professoren die schrijven een rapport en dat ziet er mooi uit en dan gaat het naar het parlement en als de regering valt of er komt een ander parlement,.dan vervalt alles, en moet je helemaal opnieuw beginnen. Ik pleit in mijn boek voor een supermagistraat. Ik ga daar heel ver in. Ik wil dat het een magistraat is omdat die onafhankelijk kan staan, dat is belangrijk, tegen de politiek en de publieke opinie. Ik stel zelfs voor om hem de macht te geven om bepaalde wetten tijdelijk op te schorten.
’t P.: Dat zullen de politici niet leuk vinden?
HvO: Ik schrijf in mijn boek ook: ‘wie durft?’
’t P: Dan moet het strafrecht helemaal herbekeken worden?
HvO: Toen ik in 1972 als jonge jurist aan de slag ging bij het gevangeniswezen, zaten daar gedelegeerde magistraten en die waren begonnen met het ontwerp ter herziening van het strafwetboek. Want men zag: we hebben overal bosjes wetten, soms met elkaar in contradictie, soms verouderd, … En een beetje later werd er zelfs een commissie in het leven geroepen voor de herziening van het strafwetboek. Met heel wat jonge beginnende juristen en magistraten. De huidige voorzitster van het Hof van Assisen van Brussel, Karin Gerard, was toen een van hen. Dat heeft een mooie tekst opgeleverd. Er zou een uitzuivering en aanpassing komen aan de moderne tijd. En nu ben ik gepensioneerd en er is niks van gekomen.
’t P.: Het probleem is nog altijd even groot?
HvO: Het probleem zit in onze democratie ingebakken. Er zijn ministers van Justitie geweest die hun best hebben gedaan, maar die mochten niet blijven. En er dikwijls is er een volgende die wil laten zien dat hij het anders wil doen en we gaan terug naar af. Ik zeg altijd dat wij ambtenaren bij de verantwoordelijkheid blijven hangen, en de politici dat zijn eigenlijk tijdelijke contractuelen. Nu kan ik het zeggen, toen zei ik het ook, maar ik werd ervoor gepest. Ik wacht op de reacties.
’t P.: Hebt u al reacties gekregen?
HvO: Ja, van minister Stefaan de Clerck. Die vond het een heel goed boek. We kunnen er uit leren zei hij. Een verhaal van een beer, hij heet ook Van Oers. Zo zei hij.
’t P.: Hoopt u om iets te veranderen door het boek?
HvO: ja.
’t P.: Verwacht u dat?
HvO. Ja, ik ben optimist, ja, ik denk het. Ik heb mijn boek ook geschreven voor de jeugd. Voor de schoolgaande jeugd. Ik ga ook nog spreken voor scholen. Ze hangen aan mijn lippen als ik spreek over de gevangenissen. Daar ken ik iets van en daar spreek ik graag over. Wat na de straf? Hoe ga je daarmee om?
’t P.: Nog andere plannen?
HvO: Ja, ik zou graag het boek laten vertalen in het Frans door Philippe Lacroix (één van de drie ontsnappers). Die heeft in de gevangenis een diploma gehaald, die is nu germanist en geeft les. Hij wil het, de uitgever wil het en ik wil het, maar de strafuitvoeringsrechtbank van Bergen moet haar fiat geven. Ik wil dat Lacroix juridisch ingedekt is. Hij mag me niet contacteren, dat is een voorwaarde voor zijn invrijheidsstelling, maar dat hoeft ook niet. Tot nu toe gaat alles met tussenpersonen.
En over tien jaar wil ik met die drie wel eens een pint drinken. Over 3 mei 1993 wil ik het niet meer hebben, maar ik heb wel nog één vraag. Hoe zijn die wapens de gevangenis binnengeraakt? Dat zou ik graag weten.
De dag van de grote ontsnapping is het relaas van Harry van Oers, maar ook zijn memoires. Het relaas van 3 mei 1993 is de rode draad in het boek, maar verder heeft Van Oers het over zijn jeugd, familie en zijn werk. Het geeft een goed binnenbeeld van de hoge ambtenarij op justitie. Maar het geeft ook een goed beeld van de tijd, de tweede helft van de vorige eeuw. Van Oers gaat de controverse niet uit de weg. Hij vertelt ook geen makkelijk verhaal. Hij bekijkt justitie van onderuit, vanuit de gevangenis. Wat is de bedoeling van gevangenissen? Wat is goede justitie? Van Oers kiest niet de gemakkelijke antwoorden, hij blijft genuanceerd. Een zeer lezenswaardig, vlot geschreven boek. Alsof het zomaar geschreven is, in een Stream of consciousness zou mijn leraar Nederlands gezegd hebben. Het lijkt of Van Oers zomaar zijn gedachten neerschrijft, maar er zit wel degelijk structuur in. Aan te raden lectuur. Niet alleen voor het onwaarschijnlijke relaas van de gijzeling, ook voor de meningen van Van Oers.Harry Van Oers, De dag van de grote ontsnapping is uitgegeven door Witsand Uitgevers, 319 blz, 18,95 euro, ISBN 978 94 9038 237 7
| Volgende > |
|---|











