2009 nr 06 - Frank Fleerackers

"Eerst beter Nederlands, dan beter Engels"

Het lag vroeger misschien lichtjes anders, maar vandaag de dag staat een academische loopbaan haaks op een rustig bestaan. Zeker als men gedreven is door een ruime belangstelling en in uiteenlopende zaken wil excelleren. Daar is professor Frank Fleerackers, decaan van de Rechtenfaculteit aan de KUB en algemeen voorzitter van het Verbond der Vlaamse Academici (VVA), een prima illustratie van. Doceren, publiceren en dit alles combineren met een advocatenpraktijk, zorgen voor rijk gevulde dagen ... en nachten. "Weet u", steekt hij van wal. "Een van mijn eerste schrijfsels verscheen ooit in 't Pallieterke. Als prille tiener schreef ik een lezersbrief waarin ik voor de eenheid van de Lage Landen ijverde."

We troffen Frank Fleerackers vorig jaar in september. Nog maar net was het veelbesproken boek 'De Islam in Europa: dialoog of clash' verschenen en Geert van Istendael, die er een vurig pleidooi tegen het dragen van de hoofddoek in hield, kreeg bakken kritiek over zich.

’t P.: Hoe kijkt u hiertegenaan?
F.F.: Op zich acht ik het ontzettend moedig dat Geert van Istendael zijn nek uitsteekt. Zwijgen zou ook in deze zoveel makkelijker geweest zijn dan spreken, maar hij koos voor de moeilijke weg. De gevolgen zijn er ook naar. Weet u, in het debat over de relatie tussen de islam en het Westen, neemt de specifieke discussie rond de hoofddoeken een fundamentele plaats in. Het gaat immers om zoveel meer dan 'een lapje textiel' zoals sommigen het graag voorstellen. Een tijdje geleden zag ik Jan Leyers die, zoals u weet, de programmareeks 'De Weg naar Mekka' maakte. Het was hem opgevallen dat in vrijwel alle Arabische landen die hij doorkruist had, de jaloezie van de mannen prominent aanwezig was. Een jaloezie die vrouwen mede aanzet tot het dragen van een hoofddoek of zelfs een boerka. Deze gedachte van jaloezie, met de eraan gekoppelde sociale druk, overstijgt ruimschoots het religieuze, en staat voor een gesloten maatschappijbeeld. Jammer genoeg hangt er een taboe rond.

Het lijkt mij een vanzelfsprekendheid dat het dragen van hoofddoeken achter de balie van een openbare dienst verboden moet blijven. Op dat vlak zit ik helemaal op de lijn van Geert van Istendael. Ik zou deze discussie wel willen opentrekken. Men staat er vrijwel nooit bij stil, maar elke menselijk gedraging of interactie is potentieel vormend. Daar is de laatste jaren trouwens heel wat wetenschappelijk onderzoek over verricht. In de mate dat mensen bepaalde gedragingen zelfs onbewust gaan kopiëren, heeft men het vandaag de dag over spiegelneuronen. Je zou in die zin kunnen zeggen dat hoe meer meisjes of vrouwen een hoofddoek dragen, hoe meer ze anderen ertoe aanzetten hun voorbeeld te volgen.

Maar er is meer. Als ik aan een gemeentelijk loket kom en geholpen wordt door een juffrouw met hoofddoek, dan zal ik misschien niet geporteerd zijn om ook een hoofddoek te dragen (lacht), maar deze ontmoeting zal me onbewust wel beïnvloeden. Elke interactie creëert betekenis en in dit concreet geval zal deze ontmoeting mijn mening over die gemeente en gemeenschap sturen, onbewust zelfs. Persoonlijk contact heeft met andere woorden een weerslag op mijn perceptie van de gemeente waar die juffrouw voor optreedt. Welnu, gelet op de actuele evolutie inzake hoofddoeken is een ingreep aangewezen. In groeiende mate worden moslima's met een hoofddoek gepercipieerd als voorbeeld en toonbeeld voor hun omgeving en nopen zij, bewust én onbewust, tot navolging. Een pragmatisch ingrijpen van overheidswege is aangewezen wanneer dergelijk gedrag nadelige gevolgen heeft voor een gemeenschap.

Moraal en Recht

’t P.: Essentieel in de discussie over het Westen en de islam is die kloof tussen de normen...
F.F.: "Er is meer. Over dit onderwerp heb ik inderdaad al heel wat gepubliceerd. Je hebt het recht, maar daaronder ligt de moraal. Een som van normen en waarden die het geheel van wetten en regels schraagt. De relatie tussen beide is cruciaal. Alleen, waaruit bestaat die moraal nu precies? Sta toe dat ik dit met een simpel voorbeeld illustreer. Moord is verboden. Daar laat de wet geen enkele twijfel over bestaan. En ook al tref je in ons strafrecht heel wat nuances en verzachtende omstandigheden aan, de norm is duidelijk. Nu kun je een rechtstreekse lijn trekken naar één van de tien geboden die stelt dat de mens niet doden zal. Heb je een religieuze samenleving waar deze geboden als moreel kader unaniem aanvaard worden, dan zal niemand problemen hebben met de wet die hierop steunt.

Nu zul je me zeggen dat een dergelijke homogene samenleving een fictie is, en gelijk heb je. Ze bestaat niet en heeft wellicht nooit bestaan. Toch kan niet miskend worden dat de morele consensus in de maatschappij vroeger veel groter was. Vandaag is die zoveel meer gefragmenteerd. Wat wel en niet mag, is steeds meer een zuivere zaak van het recht geworden. En dat recht heeft zich steeds verder losgekoppeld van de morele onderlaag.

Dit brengt ons tot de kern van de moeizame verhouding tussen het Westen en de islam. Pleidooien om delen van de sharia in te voeren - denk maar aan de polemiek die hierover in Groot-Brittannië gevoerd wordt - moeten vooral als een botsing van verschillende morele codes begrepen worden. Vraag is dan of de samenleving en het recht, als brug tussen individuen met uiteenlopende overtuigingen, erop vooruitgaan indien die verschillende codes ook juridisch aan belang winnen, los van of zelfs in conflict met de gemeenschapsnorm.

’t P.: Akkoord wat de analyse betreft. Maar feit is dat 'het Westen' en zijn moraliteit mensen met een islamitische achtergrond nauwelijks kunnen charmeren. Terwijl er voor hen veel bij te winnen zou zijn, zeker bij de vrouwen. Zit het Westen niet met een morele leegte, waar de ontkerkelijking wel niet vreemd aan zal zijn...
F.F.: Het klopt dat, los nog van elke discussie over de islam, de situatie in West-Europa op korte tijd enorm veranderd is. Er is die ontkerkelijking zoals u zegt, zonder meer een factor van betekenis. Toch meen ik dat er nog heel wat normen en waarden zijn die door het gros van de mensen gedeeld worden. Al moet je opletten voor het antwoord dat een aantal filosofen hierop geven. Religie en morele onderbouw hebben afgedaan, menen ze: nu is de tijd van de rede aangebroken. Via een goed gebruik van de rede zouden we ervoor kunnen zorgen dat mensen niet hun eigen verzuchtingen nastreven, maar zich schikken naar gemeenschappelijke normen en waarden, vertaald in het recht.

De vraag die ik me stel is dan: over welke rede hebben jullie het? Wat voor de ene mens redelijk is, is dat niet noodzakelijk voor de andere. Toen ik enkele jaren geleden mijn zoontje van zeven vroeg of hij niet wat redelijk kon zijn, antwoordde hij prompt: "Je bedoelt: redelijk zoals jij dat ziet, papa.” Het is me altijd bijgebleven (lacht).

Mijn antwoord op deze situatie klinkt helemaal anders. Het is de mens zelf die de oplossing in zich draagt. Menselijk gedrag leidt tot navolging. Wil je een hele samenleving warm maken voor een aanvaardbaar geheel van normen, dan moet je voorbeelden stellen. Dit brengt ons terug bij wat ik daarnet al zei: elk menselijk gedrag is vormend. Als bepaalde moslims zich vandaag in onze maatschappij weigeren te schikken naar westerse normen zoals in onze wetten gegoten, dan heeft dit in belangrijke mate te maken met het feit dat we er niet in geslaagd zijn een toonaangevende elite te creëren. Toegegeven, elite is een zware, beladen term. Toch denk ik dat we hem gerust mogen gebruiken.

Mijn bekommernis als decaan van deze Rechtenfaculteit is goede juristen te vormen. Mensen die niet alles klakkeloos volgens het boekje overnemen, maar nadenken over het recht en de rol die het in de samenleving speelt. Eenieder kent wel mensen waar hij naar opkijkt, die hem beïnvloeden en ergens de norm stellen voor zijn eigen gedrag. Van deze voorgangers, als ik ze zo mag noemen, zijn er te weinig in onze maatschappij. De beste mensen moeten sleutelfuncties bekleden. Weet u, in de Hoge Raad voor de Justitie heb ik ooit gepleit om rechters dubbel te betalen en op die manier de meest bekwame mensen naar de magistratuur te lokken. Dit zal als gevolg hebben dat velen die het niet verdienen, overbetaald worden, kreeg ik te horen. Zelfs indien dat klopt, is dat dan niet de prijs die we gerust willen betalen als we hierdoor vooral de beste mensen tot bezetting van onze hoven en rechtbanken kunnen overtuigen?

Idem voor het onderwijs. Verdubbel het loon en stuur de beste leraars naar de gettoscholen. Net daar is vormend gedrag nodig. 'Prinsen van interactie', noem ik zo'n mensen wel eens. Ziedaar de opdracht voor academici en ieder die het goed voorheeft met de samenleving. Of hoe pragmatisme en idealisme elkaar opnieuw kunnen vinden.

Taalfierheid

’t P.: Het blijkt uit een aantal van uw publicaties: taal is een van uw stokpaardjes, in het bijzonder het taalgebruik in het hoger onderwijs. Sta me toe even provocerend uit de hoek te komen: de Vlaming en zijn gebrekkige taalfierheid, is dat niet de kern van het probleem?
F.F.: Toch een groot deel van het probleem (lacht). Pas wanneer je jezelf respecteert, zul je ook het respect van de andere afdwingen. Weet u, ik woon bij het Vlaams-Brabantse Halle, ietwat gekneld tussen Brussel en de taalgrens. Een tijdje geleden nog vroeg een vrouw me er in het Frans de weg naar "la gare”. Vriendelijk articulerend heb ik haar in breedvoerig Nederlands geantwoord. Ik bood zelfs hoffelijk aan "een stuk eindweegs" met haar te lopen. Met een dergelijke aanpak kom je m.i. veel verder dan door haar ruwweg af te blaffen dat ze maar Nederlands moet spreken. Toen ik in een Brusselse winkel iets wou kopen, sprak ik de verkoopster, die me niet verstond, in alle talen die ik machtig ben toe. In laatste instantie zei ik haar uiteindelijk in het Frans: "Excusez-moi, je ne savais pas que vous étiez monolingue.” En geloof me vrij: ook al zei ik dit op een erg vriendelijke manier, de opmerking miste haar effect niet (lacht). We moeten goed nadenken op welke manier we ons tot de Franstaligen wenden: niet verkrampt, maar voldragen respectvol voor de eigen cultuur.

Neem nu de ondertiteling in het Frans van het VRT-nieuws, zoals Mieke Vogels onlangs voorstelde. Dat acht ik gerust een prima idee: het noopt de anderstalige tegelijk tot het aanhoren van mooi Nederlands. Maar wat pakweg de KVS doet, publiceren in drie talen op absolute voet van gelijkheid, is dan weer een slecht signaal. Het leidt tot gemakzucht en gescheiden consumptie van het eigen idioom. Je kunt eventueel een korte synthese in het Frans of het Engels publiceren, want op die manier nodig je uit tot verder lezen in de cultuurtaal van het huis. De Randkrant die in alle bussen van de Rand valt, gaf hier reeds het goede voorbeeld.

’t P.: Steeds meer stemmen gaan op om het aandeel van het Engels in het hoger onderwijs op te schroeven. Dom idee of goed idee?
F.F.: "Een beetje van de twee. Vandaag mag slechts een beperkt aantal vakken in het Engels worden gedoceerd op bachelorniveau, maar wordt vanuit bepaalde politieke hoek druk gezet om dat aantal te verhogen. Persoonlijk vind ik dat op bachelorniveau alles in het Nederlands moet gebeuren, met uitzondering van taalvakken. Daarna kan je de registers gerust opentrekken.

Onlangs las ik nog een interessant artikel in Science. Hieruit bleek dat het intellect van een jongeling erg flexibel blijft tot zijn 21 jaar. Anders gezegd: in de periode 18-21, en dat zijn precies de bachelorjaren, worden denkvormen nog gecreëerd en vastgelegd. Het is dan ook belangrijk dat dit in de moedertaal gebeurt. Je komt in het hoger onderwijs als achttienjarige in contact met een heel nieuw jargon, en je ontdekt heel wat nieuwe dingen. Doe je dat in een andere taal, dan zal dit in veel gevallen tot een impliciete keuze voor oppervlakkigheid leiden. Het is op zich al niet gemakkelijk om de juridische en wijsgerige concepten die deze jongeren te verwerken krijgen, grondig te begrijpen. Geschiedt dit dan ook nog eens in een andere taal, dan vraagt men tweemaal om moeilijkheden én doet men afbreuk aan de eigen wetenschapscultuur.

Daarenboven: doceren in het Engels is evenzeer een probleem voor de docenten zelf! De meeste Vlaamse docenten - neem het van mij aan - kennen onvoldoende Engels om terdege in die taal les te geven. Wat in zekere zin overigens ook voor hun kennis van het Nederlands geldt. Vandaar: eerst beter Nederlands, dan pas beter Engels.

Pragmatisch Heel-Nederlands?

’t P.: Als we tot slot een sprong in de tijd mogen maken. Uw eerste optreden in 't Pallieterke ging over de eenheid van de Nederlanden. Bent u daar zovele jaren later nog steeds een vurig pleitbezorger van?
F.F.: Dit is natuurlijk geen vraag waar met ja of nee op kan geantwoord worden. Ze is echter wel pertinent. Weet u, het is een realiteit dat in Vlaanderen vaak angst of schroom ontstaat als men ijvert om de integratie met het Noorden te verstevigen. Men vervalt ook snel in clichés. Wij zijn hier Latijnser en onze levensstijl sluit meer aan bij de Franse, wat dan weer haaks staat op die kille Hollanders uit de Randstad, u kent het liedje. Ik zou dit eerder als een pleidooi vòòr de Nederlandse eenmaking willen beschouwen! Na de hereniging zouden de Nederlanders van onder de Moerdijk immers die van erboven in aantal overtreffen. We zouden enkele goed werkende aspecten van onze noorderburen kunnen overnemen, terwijl wij van onze kant hun harde kantjes enigszins zouden bijvijlen.

Alle gekheid op een stokje: ook hier is pragmatisch denken op zijn plaats. Toch betekent dit pragmatisme niet dat we aan een idealistisch langetermijnproject moeten verzaken: een idealisme dat als achtergrond van een Nederlands-Vlaams pragmatisme kan fungeren. Als men aan Franstalige kant dweept met de idee van la francité, vindt niemand dat lachwekkend, ook al vloekt het met de harde werkelijkheid. Welnu, Vlaanderen ontwaakt.

Beter Nederlands in taal en cultuur als gemeenschap vooropstellen én dagelijks realiseren, ziedaar onze opdracht. Idealisme en pragmatisme trachten te verzoenen, dat is wat een academicus tot een voorbeeldig mens kan maken.

 
Snelkoppelingen
't Pallieterke Digitaal
knop-marcus
knop-abonnement
knop-video
knop-kleef
Met steun van
Banner
Banner
Banner
Banner