2010 nr 39 - Lode van Dessel

“Ruilen voor de Vlaamse goede werken”

15 jaar ruilbeurs Nijlen, 1995-2010

De 78-jarige Lode van Dessel is een gelukkig man. Niet alleen omwille van het feit dat zijn kleindochter Minneke de Ridder op 13 juni tot Kamerlid verkozen werd, maar ook omdat straks voor de 15de keer op 17 oktober de Historische Ruilbeurs van Nijlen plaatsvindt. “Naar aanleiding van dat jubileum zal het aanbod op de beurs rijker dan ooit zijn. Daarvoor ben ik met enkele vrienden van vzw Drumband Kempenland en VVB Neteland volop bezig. Het moet iets speciaals worden. We zullen enkele doelgerichte acties ondernemen. Dergelijke acties doe ik al heel mijn leven. Nog onlangs kochten we met Kempenland het commerciële gedeelte van Vlaanderen Vlagt, en verspreiden we onze leeuwenvlaggen over heel Vlaanderen. Vlaanderen Vlagt heeft een opvolger gekregen in Vlaanderen Kleurt. Ivan Mertens steunt ons met raad en daad. We hebben 40.000 vlaggen in ons magazijn liggen.”

Voor ons reden genoeg om een gesprek te voeren met deze Kempense Vlaams-nationalist in hart en nieren.

“Geboren ben ik in Lier op 12 maart 1932. Ik ben de jongste van een gezin van zes kinderen; vier zussen en twee jongens. Mijn vader was in ‘14-’18 oorlogsvrijwilliger. Aan de IJzer was hij herhaaldelijk gewond geraakt. In de loopgrachten had hij contact gemaakt met Vlaamsgezinde studenten, die van hem een overtuigde flamingant gemaakt hadden. ’s Avonds tijdens de lange winteravonden zaten we allen samen rond de Leuvense stoof. Vader vertelde toen over de oorlog en zijn belevenissen aan het front. Als schoenmaker verdiende hij zijn kost, maar hij was daarnaast ook antiekliefhebber. Oude meubels wist hij op handige wijze te restaureren. Koper, tin of aardewerk, hij herstelde al wat oud en mooi was”.

Vanaf de stichting van het Verdinaso in de herfst van 1931 was vader Frans van Dessel er lid van. In Lier bouwde hij samen met enkele kameraden een sterke afdeling op. “Meerdere keren per week was het bij ons thuis ’s avonds praatcafé”. Hij bleef bij de beweging van Joris van Severen tot op het einde. Onze gesprekspartner toont diverse brieven die zijn vader van de Dinaso-leider ontving. “Vader bleef bij het Verdinaso omdat hij een oprecht Dietser en katholiek was. Zelf trad ik als zesjarige tot het Kleindinaso toe”. In februari 1940 overleed vader Van Dessel echter vroegtijdig. Een ramp voor moeder en haar zes kinderen. Het gezin kwam plots zonder inkomen te staan. “In mei 1940 stond de rijkswacht bij ons aan de voordeur. Ze kwamen vader halen…”

Langemarck

“Na het overlijden van vader kreeg moeder tachtig frank weduwengeld uitgekeerd. Toen ook een belachelijk geringe som. Op raad van de deken verkocht moeder, Delphine Segers, onze antieken voorwerpen, vooral tin en koperwerk. Deze werden dan tegen spotprijzen aan Lierse notabelen verkocht. Voor haar huwelijk was ze in dienst van een Duits-joodse familie in Antwerpen als kokkin. Vandaar dat ze goed Duits sprak. Iedereen noemde haar Fientje. Na haar huwelijk probeerde ze wat geld bij te verdienen met thuiswerk. Ze maakte het befaamde Liese kantwerk zoals zoveel Lierse vrouwen toen. Het was stukwerk en betaalde weinig. Tijdens de oorlog was de uitvoer van Lierse kant naar Amerika stilgevallen en was ze haar werk kwijt”.

Een poos kon de familie Van Dessel zich redden met hun karige spaarcenten en wat hulp links en rechts van vrienden. Op een dag werd Lodes moeder attent gemaakt op een advertentie in de krant. De Feldgendarmerie van Lier was op zoek naar een kokkin die redelijk Duits kende. “Moeder kreeg deze job. Niet dat wij zo Duitsgezind waren. Het was louter een kwestie om dagelijks brood op tafel te krijgen. Het was dat of naar de openbare onderstand trekken. Onze familie was Vlaamsgezind, katholiek en anticommunistisch. Mijn broer Frans was schaarleider in het Jongdinaso en vertrok als zeventienjarige na de landing van de geallieerden in Normandië met de laatste lichting Langemarck-vrijwilligers naar Duitsland. En dat zonder moeders toelating. Als overtuigde anticommunist vond hij dat het zijn plicht was om tegen het ‘rode gevaar’ te gaan vechten. In die tijd werd iedereen aanvaard”.

Op het einde van de bezetting kregen de oudste zussen van Lode, die toen zestien en achttien jaar waren, bedreigingen. Beiden waren lid van de Vlaams-nationale jeugdbeweging. Over Frans werd niets vernomen. “Ons moeder was hierover ten zeerste verontrust, en ook over wat ons te wachten stond indien we bleven. Met letterlijk de laatste en stampvolle trein zijn we naar Duitsland vertrokken. Een tante, weduwe van een Dinaso-militant en haar dochter vergezelden ons. Die treinreis was op zichzelf al een avontuur. In de bossen van Limburg bij een bocht sprong de machinist van de trein en vluchtte weg. We werden door partizanen beschoten, maar gelukkig waren er ook Duitse militairen aan boord die terugschoten. Wat een bloedbad zou het anders niet geweest zijn”.

Uurwerkfabriek

Eenmaal in Duitsland kregen de twee weduwen met hun zes kinderen in een Kurhaus twee kamers toegewezen. Terwijl zijn oudste zussen tot leerling-verpleegsters opgeleid werden en in een Kinderheim oorlogsweesjes moesten verzorgen, diende de rest van de familie in een uurwerkfabriek in Schwenningen am Neckar te werken.

“Ik was twaalf jaar en fabrieksarbeider. Het was geen zwaar werk. Op het einde zaten we meer in de schuilkelders van de fabriek dan boven. In maart 1945 kon ik weer naar school, maar dan wel in het Duits. We waren geabonneerd op De Vlaamsche Post”.

“Einde april vernam moeder dat de Fransen in aantocht waren. Deze bestonden vooral uit Senegalezen en Marokkanen. Van andere vrouwen had ze vernomen dat deze koloniale troepen alles verkrachten wat van verre of dichtbij op een vrouw geleek. Voldoende reden om te vluchten. Moeder wilde naar Zwitserland, maar hoe over de grens raken? Op het politiebureau van een grensdorp trof ze een al wat oudere Duitse politieagent aan. Uit het gesprek bleek dat hij streng katholiek was en tijdens de Eerste Wereldoorlog als soldaat in Gent gelegerd was. Aan deze tijd hield hij een hechte genegenheid aan ‘Flandern’ over. Daarbij had hij medelijden met ons. De man besefte dat de oorlog voor zijn land verloren was. Hoewel de grens sterk beveiligd was, besloot hij ons te helpen. Zowel de Duitsers als de Zwitsers patrouilleerden er met herdershonden. Toch zijn we die nacht met een gids via allerhande smokkelpaadjes de grens over geraakt. Op voorhand hadden we ons met schapenmest moeten insmeren om de honden te misleiden”.

In Zwitserland werd de familie door soldaten onderschept. Verschillende ondervragingen volgden. De Zwitsers dachten met familieleden van een generaal of een hoge NSDAP-functionaris te maken te hebben. Eenmaal dat niet bleek, konden ze voorlopig blijven. In Schaffhausen kregen ze hun eerste volwaardige maaltijd. Een foto van het gezin verscheen in een Zwitsers weekblad. Het onderschrift luidde: “Eine flämische Familie. Nach dem Tode des Vaters wurde die Mutter mit den vier Kinderen zur Zwangsarbeit nach Deutschland verbracht. Nach langen Entbehrungen genießen sie wieder die erste kräftige Mahlzeit”.

Anciaux

“In die enkele maanden dat we in Zwitserland verbleven, trokken we van het ene vluchtelingenkamp naar het andere. Ik diende er als keukenhulp en misdienaar. Van naar school gaan, was geen sprake. Op het einde van de zomer moesten we het land verlaten. Moeder, overtuigd gelovige als ze was, had immers een en ander aan een Belgische priester opgebiecht. Nadien bleek die priester echter een lid van de Belgische staatsveiligheid te zijn. Hij had zich als dusdanig vermomd om goedgelovige Vlamingen te misleiden. Met de trein reisden we via Bergen (Mons) België binnen. Daar werd iedereen aan een strenge controle onderworpen. Ik heb er ‘zwarten’ door het plebs zien aframmelen. Ons lieten ze gelukkig met rust. Moeder reisde immers onder haar meisjesnaam. Op de lijst stond “Weduwe Van Dessel”. Later in Lier werd moeder dan toch opgepakt en een tijdlang in Mechelen opgesloten. Na enkele maanden kwam ze zonder proces vrij. Met mijn twee jongere zussen kon ik bij nonkel Jan terecht, een weduwnaar met zeven kinderen. Broer Frans had de oorlog zonder kleerscheuren overleefd en kwam een tijdlang in het kamp van Beverlo terecht”.

Aan verder studeren moest Lode van Dessel niet meer denken. Als veertienjarige kwam hij bij Gevaert in Mortsel terecht. Tijdens zijn tweejarige legerdienst — de Koreaanse oorlog woedde volop — kon hij avondlessen boekhouden volgen. Eenmaal afgezwaaid, kreeg hij een plaats op de afdeling boekhouden van Gevaert. “Grootvader Anciaux was er mijn directe baas. Een stille, bescheiden man, maar een overtuigde Vlaams-nationalist”.

Zelf was Lode van meet af aan lid van de Volksunie, “Ik was lid van allerhande Vlaams-nationale verenigingen, ook even van de Jong Nederlandse Gemeenschap van Karel Dillen en Toon van Overstraeten. Bij de Vlaamse Concentratie had ik lidkaart nummer zeventien. In Nijlen hadden we met 950 leden de grootste Volksunie-afdeling van het land. Mijn broer Frans stichtte de enige Volksunieharmonie met een drumband van 85 man. Prachtig was dat!

Zelf ben ik tweemaal voor de partij burgemeester van Nijlen geweest: van 1970-1976 en van 1983-1989. Het waren jaren van hard werken, maar met veel voldoening en resultaat. In de regio ben ik nog met Wim Jorissen op bedeltocht geweest. Een lef dat die man had, soms op het onbeschaamde af. Zijn vroegtijdig overlijden was een ramp. Met Wim Jorissen zou de Volksunie zeker niet ontspoord zijn. We hadden één partij moeten blijven en de linkselingen, de verruimers en de vernieuwers over boord moeten kieperen. Laten we hopen dat alle Vlamingen, vroeg of laat, aan hetzelfde touwtje zullen trekken. Maar ja, nu ben ik luidop aan het dromen”.

Ruilkring

Over Lodes inzet voor het Vlaams en Neutraal Ziekenfonds valt een apart hoofdstuk uit zijn leven te vullen, “Mensen overtuigen ligt mij”. Alsook over zijn genegenheid voor de Vlaamse jeugdleider Ernest van der Hallen. “Als twintigjarige heb ik in Lier op 29 maart 1952 de allereerste Ernest van der Hallen-herdenking ingericht. Op mijn eentje huurde ik de stadsschouwburg. Pater Servaes Visser sprak toen de herdenkingsrede uit. Binnen in de zaal zat een aanzienlijke delegatie rijkswachters in burger en buiten stond de weerstand of wat daarvoor doorging. Ik bleef wel met een financiële kater zitten. Ik was toen nog maar pas getrouwd”.

De huidige Historische Ruilbeurs groeide uit de Ruilkring van Nijlen die rond 1970 van start ging. Op een bepaald moment kwamen er maandelijks ongeveer vierhonderd mensen bijeen om vooral munten te ruilen. In 1995 ontstond hieruit de Ruilbeurs die thans voor de 15de keer georganiseerd wordt. De opbrengst van de beurs gaat ieder jaar naar een verdienstelijke organisatie. “We noemen dat de Vlaamse goede werken.” Ook dit jaar zal dat het geval zijn. Het is alvast binnen de Vlaamse Beweging een unieke manifestatie dat een sterke en warme aanbeveling verdient.

Eenieder is welkom op de Historische Ruilbeurs van de Vlaamse Beweging die doorgaat op zondag, 17 oktober 2010 van 9 tot 16 uur. Plaats: Feestzaal Nilania, Kesselsesteenweg 52 in Nijlen (bordjes duiden de weg aan). Toegang: 2,50 euro. Standhouders betalen 5 euro per lopende meter. Inschrijvingen en inlichtingen zijn te bekomen op de nummers 03/481 82 76 of 03/481 71 88 of Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

 

 
Snelkoppelingen
't Pallieterke Digitaal
knop-marcus
knop-abonnement
knop-video
knop-kleef
Met steun van
Banner
Banner
Banner
Banner