2010 nr 07 - Jan Hendrickx

Jan Hendrickx voert al 65 jaar de pen. Als journalist, docent, auteur, columnist, diplomaat, polemist, raadgever en reiziger. De Vlaamse ereambassadeur publiceerde een fraai vormgegeven boek “Vlaanderen en zijn buitenlandse Betrekkingen. Historiek van een staatsvormende tocht” (Lannoo Campus).

Jan Hendrickx is Kempenaar, flamingant, stijlbewust en erudiet. Zijn nieuwste boek is een eerste en uniek panorama van de groeiende buitenlandse betrekkingen van Vlaanderen. Schuifelend, experimenterend, af en toe met een zware tegenslag, ontwikkelt de deelstaat een buitenlandbeleid en is daarmee juridisch en staatsrechtelijk een unicum. Zoals de Franstalige deelgebieden van België.

Jan Hendrickx: “Ik pleit voor een nieuwe buitenlandstrategie van Vlaanderen. Elke Vlaamse regering geeft prioriteit aan Zuid-Afrika, om culturele en sentimentele redenen. En Kongo en Indonesië. Je kunt dat kritisch benaderen. Het is veel beter thematisch te werken dan gericht op voorkeurlanden. Nederland wordt geïdentificeerd met water. Kijk naar onze waterbouwer Jan de Nul, naar de hoge productiviteit van onze groenteteelt, naar de Vlaamse maritieme kennis, naar de tropische geneeskunde. Zoek drie à vier sterkten waarmee Vlaanderen kan geïdentificeerd worden en anker daaraan je buitenlandbeleid. Per legislatuur daarenboven één of twee wervende ideeën voor de buitenlandse betrekkingen, en waar men zich aan houdt, zou perfect zijn.”

’t P.: Het minderhedenverdrag zou door de diplomaten van Vlaanderen moeten opgelost worden?
J.H.: “Ik zit daar zelf mee in een knoop. De Franstaligen in de Rand beschouwen zich als een minderheid, de Vlamingen zeggen neen, geen sprake van, dat zijn inwijkelingen en zij dienen zich in hun betrekkingen met de overheid aan te passen aan de bestuurstaal. De Franstaligen verdedigen het recht van het individu, inclusief het taalgebruik. Ik woon in Vlaams-Brabant en zie steeds meer Franstaligen opduiken. Vlamingen die in Waver wonen, doen alles in het Frans. Maar dat is niet wederkerig. Ik begrijp dus dat men niet ratificeert. Dit beschadigt echter, onder meer door het gestook van de Franstaligen, de reputatie van Vlaanderen. Die kwalijke faam wordt versterkt door de manier waarop de Vlaamse regering handelt in het minderhedenverdrag. De regeerverklaring-Peeters II zegt kortaf: “We zullen het verdrag niet ratificeren.” Punt. Zo doe je niet volwassen aan internationale diplomatie. Een botte weigering prikkelt de Raad van Europa, die zich dan geroepen voelt waarnemers te sturen.

Als Vlaming vind ik dat wie zich hier aanbiedt, iedereen, niet alleen Turken en Marokkanen, ook Franstaligen, dient in te burgeren en de taal moet leren. De Vlaamse regering kan minstens een werkgroep oprichten om na te gaan hoe Roemenië, met twee miljoen Hongaren, Zwitserland en Italië (Zuid-Tirol) dergelijke kwesties beheren, en daaruit sterke argumenten halen om zich elegant te weren. Dat is diplomatie.”

‘t. P.: De ontwikkeling van het Vlaamse buitenlandbeleid is een hinkstapsprong?
J.H.: “De Vlamingen hebben geen traditie om op het niveau van hun deelstaat een buitenlands beleid te voeren. Wat zij haast veertig jaar doen, werd altijd omvangrijker en interessanter. Alles hebben zij zelf opgebouwd, want het federale ministerie heeft niemand naar de Vlaamse buitenlanddiensten laten gaan. Het federale ministerie van Buitenlandse Zaken heeft wel een zeer grote traditie, een sterke korpsgeest en veel bekwame mensen, onder wie sinds de hervorming van Hendrik Fayat, boeiende Vlaamse diplomaten. Vlaanderen heeft geen school voor diplomaten, stages noch bijscholing. Tussen de federale en de Vlaamse diplomaten is de kloof te breed. Na hun pensioen zouden de federalen aan die Vlaamse diplomatenschool kunnen doceren. Stijl, etiquette, internationale politiek, traditie, het heeft allemaal belang.”

’t P.: De federale diplomatie is nog steeds essentieel?
J.H.: “Het federale buitenlandbeleid blijft grote terreinen bezetten. Defensie, ontwapening en vrede, ontwikkelingsbeleid, leningen van staat tot staat, enzovoort. Waar ligt de “grens” tussen België en Vlaanderen? Je ziet die inkrimpen, uitstulpen, bewegen. De tegenstellingen tussen het federale en het Vlaamse buitenlandbeleid groeien. Vlaanderen en zijn diplomaten zullen in Kongo nooit doen wat de federale regering wel zal blijven doen. In Vlaanderen is de vredesgedachte sterker dan op federaal niveau, anderzijds is er de Vlaamse trouw aan de NAVO. Het Vlaams Parlement zwijgt te veel over deze kwesties. Wij hebben een toestand geschapen die nergens anders bestaat. Artikel 35 van de huidige Grondwet bepaalt dat alle dingen die niet toegewezen zijn aan een autoriteit bij een betwisting, niet toekomen aan de federale overheid, wel aan de gewesten.

Ten tweede is er geen hiërarchie van de normen, dus beweegt men naast en door elkaar. Minister-president Luc van den Brande vroeg mij verdragen voor te bereiden met de Baltische republieken. Hij inviteerde de eerste Litouwse ambassadeur van het nieuwe regime in België, een ex-professor internationaal recht in Vilnius, voor een lunch. Die begreep geen letter van de Belgische evenwichtsoefening tussen staat en deelstaat.”

’t P.: Waarom zijn de federale specialisten niet overgeheveld?
J.H.: “Decennialang was er bij Buitenlandse Zaken geen belangstelling voor de staatshervorming en trok men de neus daarvoor op. Het ministerie voelde nationaal, met de nieuwe term federaal, en vond zich te belangrijk om dergelijk gekissebis ter harte te nemen. De ambtenaren waren ongemotiveerd om de decentralisering te volgen. Er was en soms blijft er op Buitenlandse Zaken een latent onderbewuste om het federale belangrijker te vinden dan het regionale beleid. In ‘t begin was je een halve gek om te geloven in de nieuwe werkverdeling, en akkoord, zij hangt met haken en ogen aan elkaar, maar zij hangt aan elkaar.”

’t P.: En de dualiteit vandaag tussen federale en Vlaamse ambtenaren?
J.H: “De schizofrenie tussen het federale en het Vlaamse buitenlandse beleid zit meer bij de respectieve ministers dan bij de ambtenaren en de diplomaten. Met Louis Michel als uitzondering, werd Buitenlandse Zaken de voorbije decennia geleid door Vlamingen. Er zijn weliswaar Belgische Vlamingen en Vlaamse Vlamingen. Zelfs aan hun lichaamstaal kon men zien hoe bijvoorbeeld Karel de Gucht en Kris Peeters elkaar op de zenuwen werkten bij conflicten als het Vlaams Huis. Bij de ambtenaren leeft de tendens om samen te werken, zij coördineren standpunten. De ministers willen scoren bij de kiezers, dus daar is dat anders. Ik betreur dat Vlaanderen te weinig belangstelling heeft voor een verstandige samenwerking met de federalen. Ik zeg niet dat Vlaanderen minder moet doen, dat Vlaanderen zijn autonomie moet laten varen. Er is een groot verschil tussen, wij willen met de federalen niks te maken hebben, én, wat kunnen wij samen doen ten voordele van Vlaanderen, dat is de juiste spirit.”

’t P.: Wie moet de Vlaamse diplomatie leiden?
J.H.: “Voor het antwoord inspireer ik mij op het buitenland. Catalonië werd internationaal beroemd door Jordi Pujol, Beieren door Franz-Joseph Strauss. Krachtige mensen die in de wereld het symbool werden van hun deelstaat. Internationale zichtbaarheid opbouwen is de rol van de Vlaamse minister-president. Hij is ook de enige die gezagvol de coördinatie kan opnemen van de versnipperde buitenlandse bevoegdheden van Vlaanderen. Het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken, het Quai d’Orsay, heeft een afdeling cultuur, want cultuur is in Frankrijk verbonden met de buitenlandse politiek en de buitenlandse handel. Elke Vlaamse regeringsvorming neigt naar een verdeling van de bevoegdheden over verscheidene ministers. Het buitenlandse cultuurbeleid zit bij de minister van Cultuur, de buitenlandse handel bij een andere excellentie, het ontwikkelingsbeleid idem dito. Minister-president Kris Peeters leidt en coördineert vandaag onze diplomatie. Het is te vroeg om Peeters II te beoordelen na een eerste half jaar. Kwesties als die van het Vlaams Huis in New York kunnen wij missen.”

’t P.: De taak van Vlaams buitenlandminister is nogal eens een aanhangsel?
J.H.: “De kwaliteit van het Vlaamse buitenlandbeleid hangt samen met de motivering en de kwaliteit van de bewindslui. Er zijn er veel gepasseerd in die korte tijd: Johan Sauwens, Patrick Dewael, Luc van den Brande, Geert Bourgeois, Paul van Grembergen. Sommigen waren ondermaats en onvoorbereid, anderen begrepen hoe essentieel het buitenland is voor het algemene beleid. Een aantal ministers besefte amper in welke schitterende positie een deelstaat met internationale bevoegdheden zit. Dat is een groeiproces. Het Vlaamse buitenlandbeleid heeft tienerpukkels. Mijn indruk is dat de Vlaamse politieke klasse belangrijke bevoegdheden verworven heeft en niet het niveau van bekwaamheid en daadkracht bereikt dat daarbij hoort. Vlaanderen is substatelijk geworden en vermenigvuldigt, soms stijlloos en impulsief, zeker tussen 2003-2009, zijn instellingen, instituties en administraties. Ik denk aan de auteur Northcote Parkinson en zijn bekende analyse van organisaties: “increase and multiply”. Het aantal ambtenaren is geen criterium van succes.”

’t P.: Vlamingen hebben weinig aandacht voor hun buitenland?
J.H: “Onder meer omdat de Vlaamse beweging heel lang al haar energie moest gebruiken om het Belgische establishment te overtuigen dat Vlaanderen autonomer diende te worden. Het buitenland, ach, dat was zo ver. De basisstrijd was een confrontatie met België, zelden een bezinning over, wat komt er wanneer Vlaanderen zelfstandiger is. Dat oordeel velde Hugo Schiltz zaliger vaak. Toen hij naar Praag reisde voor een eerste Vlaams Huis, was ik, zoals velen, verbaasd, en begreep ik niet waar hij naar toe wilde. In 1993, met het verwerven van het verdragsrecht voor de deelstaten, kreeg hij terecht een staande ovatie voor zijn rol in die beslissing.”
’t P.: Wat met de twee genootschappen voor buitenlandse betrekkingen?
J.H.: “Het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen heeft lang een amechtig bestaan gekend tot minister Louis Michel het een flinke som geld heeft toegeschoven en Philippe de Schoutteette en Rik Coolsaet het instituut volwassen gemaakt hebben met studiewerk en aantrekkelijke lezingen. Vira, de Vlaamse evenknie, is door ereambassadeur Willy Stevens uit zijn winterslaap gehaald, en ook daar stijgt het niveau. Pragmatisch kunnen KIIB en Vira samenwerken.”
’t P.: Wordt het buitenlandbeleid van Vlaanderen en België goed voorbereid?
J.H.: “Bewonderend kijk ik naar het Nederlandse kenniscentrum Clingendael, voor 95% is de begroting van 5 miljoen euro gefinancierd door een handvol ministeries. Een gelijkaardig initiatief zou perfect passen in Antwerpen. De havenstad blijft de motor van de Vlaamse economie en een belangrijk expertisecentrum voor de zeevaart en de handel. We kunnen met een Vlaams interuniversitair instituut het noodzakelijke studiewerk doen voor de oriëntatie op de lange termijn van het Vlaamse buitenlandbeleid. (Lacht.) Waarom dat niet lukt? Lees of herlees het boek “Onder professoren” van Willem Frederik Hermans.”

't P.: Waarom dat boek?
J.H.: “Ik was actief op het ministerie van Buitenlandse Zaken in de jaren toen de culturele autonomie startte. Vaststellen kon men toen hoe moeilijk het was dat beleid van culturele zelfstandigheid in te passen in het kader van artikel 68 van de toenmalige grondwet. Noch de ambtenaren en de diplomaten van Buitenlandse Zaken, noch de ambtenaren en de leden van de Cultuurraad konden overweg met het internationale kader van de culturele autonomie. Sedertdien heb ik verbaasd de splitsing van het Belgische buitenlandbeleid in een federale praktijk en een deelstatelijke praktijk gevolgd. Door te schrijven, parlementaire teksten te lezen, te herlezen of gesprekken te voeren met Hugo Schiltz en andere essentiële actoren, is voor mij scherper geworden dat het staatsvormende proces van Vlaanderen veel verder gaat dan de Vlamingen beseffen. België is een buitenbeentje. Ik toon Vlamingen en niet-Vlamingen hoe ver de bevoegdheden, budgetten, eigen diplomaten, verdragen gaan. Opvallend ver, is het besluit.”

’t P.: Welke troeven had u om het boek tot een goed einde te brengen?
J.H.: “Ik deed belangrijke opdrachten voor het federale en later het Vlaamse buitenlandbeleid. Weinigen hebben die twee domeinen persoonlijk bewandeld. Geen enkele ambtenaar is verhuisd van het federale buitenlandministerie naar de Vlaamse diplomatieke en buitenlanddienst. Die heeft vandaag CHECK 800 ambtenaren, allemaal mensen die zonder federale ervaring aan de slag gingen, en een begroting van CHECK … euro. Toen de andere departementen geregionaliseerd werden, één voorbeeld slechts, Openbare Werken, werden de ambtenaren verdeeld over die nieuwe deelstatelijke ministeries. Bij Buitenlandse Zaken is zelfs geen secretaresse van adres veranderd.

Een tweede troef bij het schrijven is dat ik zowel in de privé- als in de publieke sector gewerkt heb. Prof. dr. Annick Schramme behandelde de culturele autonomie in één van haar werken. Zeker deel twee en deel drie van mijn boek zijn een originele analyse en opsomming. Een primeur." Het staatsvormende proces van Vlaanderen gaat veel verder dan veel Vlamingen beseffen.

 
Snelkoppelingen
't Pallieterke Digitaal
knop-marcus
knop-abonnement
knop-video
knop-kleef
Met steun van
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner