De Slag der Gulden Sporen
En hier dan het verhaal - in vertaling uit het Frans (de tussentitels zijn van ons) - van Henry Havard over de Slag der Gulden Sporen, geschreven in 1879. Alle details zullen wel niet kloppen met het verhaal in de talrijke historische werken die naar aanleiding van de 700ste verjaardag van de Slag der Gulden Sporen in 2002 werden uitgegeven, maar het blijft interessant hoe een Fransman dat in 1879 zag.
Boven op de torens van Kortrijk ontdekt men de sombere velden van Rosebeke. Het is bij haar poorten dat die afgrijselijke slachting heeft plaatsgevonden die voor altijd in de geschiedenis bekend staat als de “Guldensporenslag”. Nu ik mij op deze plaats bevond, wilde ik in geschriften uit die tijd het verhaal herlezen van deze gebeurtenis die daarna zulke rampzalige gevolgen voor de stad Kortrijk zou hebben.
Het was in de eerste dagen van juli 1302. In een periode van de grootste hitte. De Vlamingen, die schijnbaar onder het bevel van Jan van Namen en graaf Gwijde stonden, maar in werkelijkheid werden aangevoerd door Pieter de Coninck en Jan Breydel, waren gelegerd vlakbij de stad Kortrijk die zij bezetten. Slechts het kasteel was nog in handen van lieden van de koning. Gewaarschuwd dat de vijand in aantocht was, hadden de Vlamingen hun slagveld uitgekozen en schikkingen getroffen die zowel slim waren als op elkaar afgestemd.
Dankzij een met de hand geschreven kroniek kan men zonder moeite de sterkte van hun troepen en hun slagorde opnieuw samenstellen. Zij telden ongeveer 60.000 sterke en goed bewapende mannen. Het waren niet, zoals lange tijd gedacht, ongedisciplineerde samengeraapte benden; het grootste gedeelte bestond uit “gezworenen” of gilden, voorzien van lange pieken, stalen lansen, vlijmscherpe degens of van verschrikkelijke knotsen, die ze spottend goedendag noemden, wat wil zeggen “bonjour”.
Hun krachten werden gebundeld in de beemden van Groeninge. De voorste linie werd versterkt door een beek, sindsdien door de stadsuitbreiding verdwenen. Door een bocht in die beek werd hun linkerzijde beschermd; de Leie, die zich achter hun rug bevond, had het dubbele voordeel dat ze niet langs achter konden worden aangevallen, maar tevens aan hun troepen de mogelijkheid tot vluchten ontzegde; zo werden zij gedwongen te overwinnen of te sterven. Tenslotte hadden ze hun voorste linie versterkt door het graven van kuilen en greppels die met takwerk werden bedekt.
In de wind geslagen
De ochtend van de 8ste juli verscheen het leger van de koning aan de horizon: 50.000 man sterk met in het midden de bloem van de adel uit die tijd. Onder leiding van de jonge graaf van Artois nam het leger plaats tegenover de gemeentelijke troepen. Op 9 juli en in de ochtend van de 10de gingen twee kapiteins, met name de edelen de Barlas en de Mantoue, de stellingen verkennen. Ze waren allebei kapitein van de boogschutters en ouwe rotten, mannen met gezag en ervaring. Nadat ze hun verkenning voltooid hadden, begaven ze zich naar opperbevelhebber de Nesle.
Ze zeiden hem: “Wacht u er voor om uw kostbare adel in te zetten tegen dit samenraapsel van wanhopige kerels. De Vlamingen hebben in Kortrijk hun bagage en hun voedsel achtergelaten. We moeten hen dus bestoken met onze boogschutters en hen van de stad afsnijden. Deze mensen zijn gewend drie tot vier keer per dag te eten. Wanneer ze beginnen zich terug te trekken, val hen dan aan; u zult snel met hen hebben afgerekend.“ Het was wijze raad en de opperbevelhebber toonde zich bereid hem te volgen. De graaf van Artois echter, wilde er niets van weten.
De volgende dag, op het ogenblik dat men tot handelen zou overgaan, herhaalde de oude Raoul de Nesle die wijze aanbevelingen. Maar de jonge prins werd boos en riep kokend van woede uit: “Duivels, dit is het advies van een lomperik! Opperbevelhebber, bent u bang van deze wolven, of staat u misschien aan hun kant?”
Vol verdriet antwoordde de opperbevelhebber: “Als u mij wilt volgen te midden van uw vijanden, zal ik u zo ver voeren dat u er niet van terugkeert.” Daarop werd het teken tot de aanval gegeven.
Geen kwartier
De gevolgen zijn bekend. Het Franse leger, eerst ingedeeld in tien korpsen, was tot drie teruggebracht en begaf zich in deze nieuwe slagorde op een terrein met greppels en kuilen doorsneden, waarin deze troepen meteen wegzonken tot aan de buik van hun paarden. Toen nam de slachting een aanvang: verschrikkelijk, ongehoord. De ruiters waren immers niet op de hoogte van wat er in de eerste linies met hun troepen gebeurden. Ze draafden dus recht voor zich uit, en verpletterden die hen vooraf waren gereden.
Om kwart over negen werd de graaf van Artois van de toestand op de hoogte gebracht. Razend van woede en wanhoop groepeerde hij terstond het korps dat onder zijn bevel stond en tot dan toe in reserve was gehouden. Hij stelde zich aan het hoofd, overbrugde met één sprong de beek vol doden, drong door tot het middenpunt van de slachting, geraakte tot bij de standaard van Vlaanderen, greep die bij de schacht en ondanks slagen met knotsen en bijlen die op hem regenden, scheurde hij een stuk van de standaard. Op dat ogenblik bracht een lekenbroeder van de abdij Ter Doest, Willem van Saeftinge, hem zo een hevige slag toe, dat de prins van zijn paard tuimelde. Daarop werd hij bestormd door een bloeddorstige menigte die zich op zijn lichaam wierp en hem afmaakte met knotsen. Een beenhouwer uit Brugge, die hem al een arm had afgehouwen, rukte hem de tong uit de mond en bracht deze wansmakelijke trofee naar Jan van der Marckt.
In plaats dat de dood van de jonge generaal de slachting tot bedaren bracht, spoorde die aan tot vernieuwde geestdrift. De resten van het Franse leger, die door de Vlaamse troepen waren omsingeld, werden meedogenloos gedood. Niemand van hen die nog op het slachtveld verbleven, werd gespaard. De enkelen die toch nog wisten te ontsnappen, werden achtervolgd met ongewone wraakzucht. Groepen die van het strijdtoneel waren gevlucht, werden ingehaald in de buurt van Zwevegem, Sint-Denijs en tot in Dottenijs, en genadeloos afgeslacht. Een grote groep, die bij het pesthuis van de Madeleine was omsingeld, werd met knotsen doodgeslagen. Een andere, die onder het bevel stond van Guillaume de Moschere werd achtervolgd tot dicht bij de heuvels en onderging hetzelfde lot. De overwinnaars kenden geen genade. (1) Zelfs na hun overwinning toonden ze zich ontoegankelijk voor medelijden, zoals een anonieme monnik noteerde: “Ze sneden iedereen wreed de keel over en ze spaarden niemand, hoewel ze absoluut zeker waren van hun zegepraal.”
Gulden sporen
Toen de strijd op het slagveld begon te luwen bij gebrek aan tegenstanders, hadden twintigduizend Fransen er de dood gevonden. Tot deze gesneuvelden behoorden zevenduizend ruiters, elfhonderd edelen, zevenhonderd baanderheren en drieënzestig graven hertogen of prinsen. De oude Vlaamse kroniekschrijver J. Meyerus schreef dat de bloem van de adel van de hele wereld op deze verschrikkelijke dag was uitgeroeid, en P. Daniël voegde eraan toe dat er geen enkele aanzienlijke familie in Frankrijk was die niet een vader, een broer of een zoon moest betreuren.
Deze zegepraal overtrof de verwachtingen van de Vlamingen zo zeer, dat ze niet aarzelden om de belangrijkste verdienste ervan aan de hemelse bescherming toe te schrijven. Als vrome mannen en dankbare christenen schonken zij Onze-Lieve-Vrouw van Groeninge haar deel van de buit. Men eerde haar met vijfhonderd gulden sporen die op het slagveld waren verzameld. Als teken van hun vreugde werd besloten om een processie, en elk jaar feesten in te richten. Toen ging men in een grote stoet de vijfhonderd gulden sporen ophangen in de gewelven van Onze-Lieve-Vrouw van Kortrijk.
Het was een vergiftigd geschenk dat een verschrikkelijke weerwraak zou oproepen. Tachtig jaar later immers zouden de Fransen opnieuw oprukken en de sporen terug veroveren.
De auteur vergeet dat de Fransen, die als aanvallers hun grenzen overschreden, in het verleden de Vlamingen nog erger hadden behandeld: ze schoffeerden de vrouwen en staken huizen en dorpen in brand.
Publicatie: 2009 nr 28
| < Vorige | Volgende > |
|---|














