En toen kwamen de Arabieren

Dat heeft Allah toch maar mooi geregeld. Nog altijd gelooft een groot deel van de moslims dat de Arabische Blitzkrieg (632–750) geen toeval was. De veroveringstochten veegden eeuwenoude beschavingen weg en creëerden een rijk van Toledo in Spanje tot Samarkand in Oezbekistan. Zo’n succes kon alleen maar aan de rechtstreekse tussenkomst van Allah zelf te danken zijn en is in de Arabische mythologie nog altijd het overtuigende bewijs dat de islam het enige en ware geloof is.

Waarschijnlijk heeft de echte uitvinder, ene Mohammed Ibn Abdullah, zelf nooit verwacht of gerekend op zo een triomf. Ibn Abdullah is koopman, rover, prediker en geweldenaar. Hij slaagt erin om tegen het einde van zijn leven het hele Arabische Schiereiland onder zijn leiding te verenigen en de Arabieren een nieuwe en zeer nationalistische ideologie aan te praten. Met Ibn Abdullah begint de erfzonde van de islam: blind geweld tegenover alles wat zich gewapenderhand verzet; maar ook dikwijls diplomatie (met de dreiging van moord en plundering op de achtergrond) om dorpen en steden over te halen islamitisch te worden.

Ibn Abdullah is een stedeling die lid is van een prestigieuze stam van rijke handelaars. Hij slaagt erin de geharde en vechtlustige woestijnbedoeïenen achter zijn leer te krijgen en hen in kleine, maar zeer efficiënte legers te organiseren.

Bij zijn dood in 632 staan zijn opvolgers voor een dilemma. Op een paar plaatsen hebben wat ambitieuze dames en heren het kunstje van Ibn Abdullah gekopieerd. Ze spelen ook voor profeet en beginnen eigen kleine rijkjes te stichten. In Medina, de nieuwe hoofdstad van Arabië, vreest men dat de vele en talrijke Arabische clan- en stamoorlogen uit het verleden weer herleven. De machthebbers kiezen voor de vlucht vooruit. De rebellen worden vernietigend verslagen. Ibn Abdullahs opvolger (de kalief = leider der gelovigen) en zijn adviseurs denken terecht dat men burgeroorlogen kan vermijden als men de aandacht van de bedoeïenen verplaatst naar de rijke territoria elders waar ze ongestoord kunnen plunderen en roven. Zo kan de oemma (gemeenschap) in vrede bij elkaar blijven en zich zelfs uitbreiden.  

Verzwakte rijken

De nuchtere waarnemer die niet in die voorzienigheid van Allah gelooft, kan alleen maar constateren dat de Arabieren buitengewoon veel geluk hebben. Er grenzen twee grote rijken aan het Arabische Schiereiland. Daar is het (Oost-)Romeinse Rijk dat wij nu Byzantium noemen, maar dat is een naam die de zogenaamde Byzantijnen zelf nooit gebruikten. Het rijk omvat nog altijd het huidige Griekenland, Turkije, Palestina, Libanon, Syrië (waar nogal wat Arabieren wonen), Egypte en delen van Italië en Noord-Afrika.

Het prachtige Constantinopel is de hoofdstad en de elite is heel erg rijk. Ze spreekt altijd Grieks, is uiteraard christelijk en ze perst de arme boeren uit waar ze maar kan. In grote delen van het rijk spreken de meeste mensen Aramees of Koptisch en ze belijden een of andere variant van het orthodoxe christendom. In de ogen van vele Griekse machthebbers zijn ze ketters en gevaarlijker dan heidenen, want die weten niet beter.

Het Romeinse Rijk is de grote tegenstander van Perzië (grosso modo het huidige Irak en Iran). De Perzische elite is aanhanger van het zoroastrisme (de vuurcultus) en bestaat feitelijk uit een kleine militaire kaste. Op het grondgebied van het huidige Irak zijn de meeste mensen christen, ook de vele Arabieren die er in het zuiden wonen.

De beide imperia zijn op vele plaatsen bijzonder dun bevolkt. In de vroeger zo rijke steden zijn er al tientallen jaren zware epidemieën die de heersers maar niet onder controle krijgen en die enorme aantallen mensen het leven kosten. Ten tijde van de Arabische verovering van Alexandrië, de op één na belangrijkste en grootste stad van de antieke wereld, is dat vroegere centrum van beschaving al tot minder dan een derde van zijn oude omvang herleid. Ook in de Perzische steden en dorpen heeft de pest toegeslagen. Alleen in het Arabische Schiereiland zijn er geen slachtoffersn omdat de ratten die de pestbacil verspreiden daar geen enkele kans hebben één korrel voedsel te vinden.

De Perzen zijn ervan overtuigd dat de Romeinen nog meer verzwakt zijn en vinden het een geschikt moment om de lange maar ongemakkelijke vrede te verstoren. In een wrede oorlog die zo’n elf jaar duurt, slagen zij erin Syrië en Egypte te veroveren. En natuurlijk ontwricht de oorlog nog verder de al broze economie van de twee rijken.

Voor één keer hebben de Romeinen een soldatenkeizer met enig strategisch talent. Hij valt de Perzen in de rug aan en marcheert via de Eufraat en de Tigris naar het zuiden en verovert de Perzische hoofdstad Cstesiphon. De Perzen zijn totaal verrast en gaan tenslotte akkoord om de vooroorlogse toestand te herstellen. Ze trekken zich terug uit de veroverde gebieden. En dat is het exacte moment waarop de Arabieren hun interne problemen oplossen door op veroveringstocht te gaan.

Klein, maar doeltreffend

De legende spreekt over reusachtige Arabische legers die uit de woestijn verschijnen en als sprinkhanen de beschaving vernietigen waar ze die aantreffen. In werkelijkheid zijn de Arabische legers vrij klein. Het Schiereiland is veel te onvruchtbaar om mensenmassa’s te voeden. Meestal bestaat een Arabisch legertje uit 3.000 tot 4.000 mannen, en 12.000 strijders is zo ongeveer het maximum. In tegenstelling tot de multinationale huurlingenlegers van hun tegenstanders zijn de Arabische legers echter veel homogener. Alle soldaten zijn trots op hun gemeenschappelijke Arabische afkomst; soms zelfs meer dan op hun nog vrij nieuwe ideologie die sommigen onder hen uit louter opportunisme aanhangen.

De Arabieren zijn eenvoudig gekleed, zoals te verwachten valt bij de meeste woestijnbewoners. Hun bevelhebbers onderscheiden zich niet van de soldaten. Ze slepen geen wagonladingen zijden kledij, zilveren serviezen en uitgelezen hapjes plus een stoet dienaars met zich mee. De kleine Arabische legers leven van het veroverde land. Ze eisen graan en olie en wat belastingen op en vertrekken. Alleen bij een weigering om zich te onderwerpen overleeft niemand de slachting. Natuurlijk plunderen ze de rijkdommen waar ze die aantreffen, want ondanks de pest en de Romeins-Perzische oorlog zijn de veroverde gebieden in Arabische ogen nog ontzaglijk rijk.

De Arabische legers geloven nog in een min of meer democratische verdeling van de buit en de generaal krijgt niet veel meer dan de soldaat. Een deel van de buit wordt naar de Arabische hoofdstad Medina versleept. De Arabieren zijn goede ruiters en omdat ze niet gehinderd worden door een reusachtige bagagetrein duiken zij altijd onverwachts en meestal veel vroeger dan verwacht op. Maar ze vechten niet te paard. Voor de veldslag stijgen ze af en zetten zich gedisciplineerd in rijen. Ze vechten dus als infanterie en handelen meestal veel vlugger dan hun soms in ijzer en maliënkolder gehulde tegenstanders. Ze hebben daarenboven geoefende boogschutters en goede speerwerpers die wel weg weten met de cavalerie van de tegenstanders. Ze hanteren allemaal een lang zwaard (nog niet het bekende kromzwaard).

Na hun eerste, makkelijke overwinningen leven ze in een roes van onoverwinnelijkheid en natuurlijk is de agressieve ideologie van de islam een grote stut onder hun moreel. Zeker wanneer ze op de vrij pacifistische christelijke gemeenschappen botsen. Ze hebben nog het zelotisme en de solidariteit van de juist bekeerden. De kalief stuurt vanuit Medina de veroveringsoorlogen en in tegenstelling tot de Romeinse keizer of de Perzische sjah moet hij niet bevreesd zijn voor rebellies van de legers. Succesrijke generaals denken er niet aan staatsgrepen te plegen maar gehoorzamen keurig de bevelen en leggen hun bevel neer wanneer de kalief dat eist.

En toen bleven de Arabieren

De manier waarop de Arabieren het bestuur organiseren van de nieuw veroverde gebieden gelijkt heel erg op de kolonisering van Afrika in de 20ste eeuw. De Arabieren zijn ziekelijk nationalistisch (nog altijd) en zo overtuigd van de superioriteit van de eigen nieuwe ideologie dat ze letterlijk afstand nemen van de veroverde volkeren. Op die manier consolideren ze onbewust hun heerschappij op lange termijn.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Germanen bij hun volksverhuizingen naar het Romeinse Rijk, nemen ze niet de taal of een deel van de wetgeving of de gewoontes over van de autochtonen. Ze zijn trouwens geen volksverhuizers die met vrouw en kinderen betere weidegronden zoeken. Dit zijn harde en gedisciplineerde veroveraars en plunderaars die zich haast zonder bagage verplaatsen. Ze herleiden een deel van de bevolking tot slavernij en laten die slaven gloednieuwe steden bouwen waar de Arabieren bij elkaar wonen. Ze vestigen zich niet in de oude steden. Ze lopen dus niet het gevaar bij een opstand vernietigd te worden omdat ze verspreid leven. Ze kunnen integendeel uit de eigen stadsbewoners direct een legertje op de been brengen.

Natuurlijk nodigen ze hun stamgenoten uit zich bij hen te voegen van het moment dat ze zich zeker voelen in hun macht. Lange tijd zijn de Arabieren in hun veroverde gebieden een minderheid van zo’n tien procent. En die minderheid leeft als een parasiet op de kosten van de autochtonen. Arabieren van de eerste generatie denken er niet aan te werken. In Perzië krijgen ze zelfs een uitkering op kosten van de Perzen. Maar men moet er wel bij vertellen dat de belastingen die ze heffen dikwijls lager zijn dan de sommen die de Oost-Romeinse keizer, of de Perzische sjah, uit zijn onderdanen perste. In de meeste delen van het nieuwe rijk betalen de niet-moslims altijd het dubbele van de hoofdelijke belasting die de moslims verschuldigd zijn. In andere delen moeten moslims niets betalen. De nieuwe Arabische heersers hebben er dus geen financieel belang bij als te veel nieuwe onderdanen zich uit opportunisme bekeren, al kunnen ze zogenaamde bekeerlingen niet weigeren.

Maar het duurt bijna 400 jaar vooraleer in dat reusachtige rijk (de afstand tussen Mauretanië en Samarkand bedraagt 7.000 kilometer) een meerderheid van de mensen moslim is. Eerst 60 jaar na de verovering van de helft van het Oost-Romeinse Rijk verdwijnt het Grieks als de taal van de administratie. In Damascus nemen de Arabieren een heel lange tijd de helft van de kathedraal in beslag als moskee. De andere helft blijft christelijk.

Weinig verzet

De Arabische verovering van Syrië en Palestina wordt natuurlijk vergemakkelijkt door de permanente intriges in Constantinopel waar een keizer nooit echt zeker van zijn troon is. Dikwijls wordt daar meer energie aan interne intriges besteed dan aan de oorlog met de Arabieren. De hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk is zo groot en belangrijk dat ze altijd nieuwe Griekse immigranten kan absorberen en de Griekse elite die het rijk bestuurt, blijft bijna nooit ter plaatse na de Arabische overval. De Griekse ambtenaren en militairen vluchten liever zodat het bestuur overal onthoofd wordt en de Arabieren gemakkelijk hun plaats kunnen innemen.

Het in Arabische ogen schatrijke Egypte wordt door 4.000 Arabieren uit Jemen veroverd op nauwelijks twee jaar tijd. Egypte is misschien niet meer de graanschuur uit de oudheid en wordt geteisterd door epidemieën en ontvolking, maar de buit is nog altijd reusachtig. Het Griekse verzet is weer zeer slap en de machthebbers hebben er nooit aan gedacht de koptische ketters (in hun ogen) te bewapenen. De bevelhebbers van de multinationale Oost-Romeinse legertjes riskeren dikwijls het eigen hachje niet en vluchten liever. De Egyptenaren blijven passief en begrijpen eerst zo’n honderd jaar na de verovering de ware aard van de islam en de Arabieren. Ze komen in opstand, maar dan is het te laat.

Het duurt natuurlijk een tijdje voor zo’n betrekkelijk klein groepje veroveraars een reusachtig land als Egypte verteerd heeft en voorlopig beperken de Arabieren zich tot wat raids in de rest van de Noord-Afrikaanse gebieden van Constantinopel: kwestie van wat kerken te plunderen voor het goud en het zilver. En natuurlijk nemen de Arabieren graag de kostbaarste grondstof van allemaal met zich mee: slaven, om de heersers in Arabië gelukkig te maken en om de ontvolking in Egypte, Syrië en Perzië wat af te remmen.

Maar ten slotte beginnen ze in de tweede helft van de 7de eeuw aan hun nieuwe opmars. Historici wijzen erop dat de geluksfactor dikwijls de voornaamste rol speelt in de verovering van het rijk. Maar het is ook waarschijnlijk dat Arabische spionnen wel degelijk hun makkers inlichten dat dit de juiste tijd is om toe te slaan. De verovering van de vroegere welvarende Romeinse provincie Africa is dan ook een makkie. Deze andere graanschuur uit de antieke wereld is na de implosie van Rome en de verovering door de Vandalen van de provincie altijd maar achteruitgeboerd. Keizer Justinianus heeft honderd jaar tevoren de provincie laten heroveren met enorm veel oorlogsgeweld. Sindsdien is de provincie een marginaal deel van het Oost-Romeinse Rijk met een Grieks-orthodoxe elite en een bevolking van grotendeels analfabete roomse Berbers die geen schrijftaal bezitten en alleen wat Latijn kennen. Het verzet tegen de Arabische legertjes is minimaal. In 680 zijn de Arabieren al aanwezig in het huidige Marokko. De laatste Griekse vesting, de Romeinse stad Carthago, die ooit 500.000 inwoners had, valt in 698.

Zij weten het

De Arabieren hebben feitelijk maar één hardnekkige tegenstander: de tientallen Berberstammen waarmee ze langdurig oorlogen voeren, zij het dikwijls geassisteerd door andere Berbers. In deze oorlogen zijn mensen de belangrijkste buit voor de Arabieren en de animositeit tussen veroveraars en veroverden duurt tot vandaag verder in Noord-Afrika (en niet alleen daar; Arabieren en Berbers wonen in Borgerhout ieder aan hun kant van de Plantin en Moretuslei). Natuurlijk zijn er ook bij de Berbers opportunisten die zich bekeren en die wel wat zien in die nieuwe orde, want de Arabieren erkennen talent en verdiensten. Een Arabische aristocratie bestaat zeer zeker. De stamleden van ibn Abdullah, de uitvinder van de islam, hebben veel praats en zijn niet arm. Maar de heersers, gouverneurs, generaals vinden niet per definitie dat hun oudste of zelfs een jongere zoon alle talenten in huis heeft en hen moet opvolgen.

De Berber Tariq (Gibraltar dankt zijn naam aan hem) krijgt het bevel over een legertje Berberbekeerlingen dat in 711 het Iberische Schiereiland binnenvalt; aanvankelijk alleen om te roven. Maar in het West-Gotische Rijk heerst er een opvolgingscrisis en weer is het verzet eerder zwak in het ook al dunbevolkte Iberië. Nadat een Arabisch legertje ook zijn deel van de buit komt opeisen, stort het rijk in elkaar. Vijf jaar later is het grootste deel veroverd. Alleen in het noordwesten houden wat christelijke staatjes stand omdat de moslims niet erg geïnteresseerd zijn in de onvruchtbare plateaus. Maar in de lente en de zomer trekken Arabische groepjes over de Pyreneeën het Frankische Rijk binnen om daar wat weg te slepen. Ze bereiken zelfs Autun in Bourgondië. Waarschijnlijk is het nooit de bedoeling het Frankische Rijk te veroveren, want de Franken kunnen wel een strijdbijl en een zwaard hanteren. De zware nederlaag tegen het leger van Karel Martel nabij Poitiers in 732 maakt de Arabieren duidelijk waar de grens van hun expansie ligt.

Inmiddels gaan de veroveringen in het Oosten verder. Rond 750 is ook een groot deel van het huidige Turkmenistan en Oezbekistan verovert. De Arabieren nemen ook Kabul en Afghanistan in, plus Sind (nu West-Pakistan). Maar ze botsen overal op nog niet bekeerde Turkse stammen en daar stopt het feest.

Natuurlijk eindigt niet iedere tocht op een overwinning. Soms lijden de Arabieren al eens een nederlaag en moeten ze zich terugtrekken. Maar ze komen altijd terug want hun dar-al-islamideologie verdraagt niet dat het gebied waar ooit een moslimvlag gewaaid heeft, niet meer islamitisch is. In Israël maken ze zich dan ook geen enkele illusie over de aard van de zogenaamde vrede die het land gesloten heeft met sommige Arabische staten. Zelfs Spanjaarden en Portugezen weten het. Een wapenstilstand, desnoods eentje die eeuwen duurt, is mogelijk, maar een echte vrede met gebiedsverlies wordt nooit aanvaard door de overtuigde aanhangers van een barbaarse ideologie.


 

Bron: "De grote Arabische veroveringen. Het ontstaan van het islamitisch rijk van Afghanistan tot Spanje" (Hugh Kennedy).

Publicatie: 2009 nr 46 & nr 47

 
Snelkoppelingen
't Pallieterke Digitaal
knop-marcus
knop-abonnement
knop-video
knop-kleef
Met steun van
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner