De “revolutionairen” van 68

De recente serie in Humo over de jaren 60 is zeer magertjes uitgevallen. Dat ligt niet aan de redacteur, wel aan de jaren 60 zelf. Het gaat hier niet om 1789, 1848 of 1917, het gaat om wat onlusten aan Amerikaanse en Europese universiteiten. Voor Vlaanderen bleef alles beperkt tot Leuven en een beetje Gent. In Vlaanderen (Leuven) werd het fenomeen doorkruist door de taalstrijd (Leuven Vlaams) maar dat was een puur lokaal verschijnsel. Internationaal gezien ging het om het ontstaan van wat men nu de jongerencultuur noemt die neerkomt op te gekke kleren dragen, naar te gekke muziek luisteren, drugs gebruiken en alle gezag afwijzen. Het resultaat is het nihilisme. Ieder historisch besef en continuïteit zijn verdwenen. De traditie wordt afgewezen en belachelijk gemaakt. Alleen het heden telt zonder zich te bekommeren om de toekomstige gevolgen.

Een armtieriger levensopvatting kan men zich niet voorstellen. Maar deze levensstijl, gepropageerd door een zeer kleine groep in de jaren 60, heeft sindsdien alle geledingen van de maatschappij doordrongen hoewel de pogingen om deze beweging politiek te organiseren glansrijk mislukt zijn. Men kan het geen ideologie noemen, daarvoor is het een veel te mager beestje. Het is een mentaliteit die zich van de geesten heeft meester gemaakt.

In Humo ging het alleen over de politieke aspecten van de jaren 60, maar seks (de seksuele revolutie!) en drugs werden zedig buiten het plaatje gehouden. Want de heren (dames waren er niet bij) bekleden nu hoge posten en willen daar niet meer aan herinnerd worden hoewel ze er toen zo’n grote bek over opzetten. De leiders van de jaren 60 waren de laatsten om hun ideeën in de praktijk te brengen, vooral wat de seksuele revolutie betrof. Men moet zich bijvoorbeeld niet voorstellen dat ze de “vrije liefde” beoefenden. Ze zijn op de duur, niet zonder moeite, aan een lief geraakt met wie ze dan braaf getrouwd zijn. Ze zijn later in de politiek en de journalistiek gegaan. Ze hebben natuurlijk hun mars door de instellingen afgelegd en hebben vanuit die positie sindsdien hun nihilisme en cultuurrelativisme gepredikt, maar op een paar uitzonderingen na hebben ze altijd goed voor zichzelf gezorgd en leven het knusse leventje van de bourgeois waar ze in hun discours zo mee lachen. Er zijn geen grotere hypocrieten en opportunisten dan de leiders van de jaren 60. Luister naar mijn woorden, maar kijk niet maar mijn daden. Zij die de leer in de praktijk gebracht hebben, zijn de naïeve meelopers, de nuttige idioten, niet de chefs. Met één beeld kan men dat verduidelijken. Toen de politie in de Bondgenotenlaan in Leuven weer eens gespierd optrad tegen de betogers, keek Ludo Martens toe vanuit een venster op de tweede verdieping nadat hij in zijn geschriften had opgeroepen de boel kort en klein te slaan. Zelf, als leider, kon hij zijn precieuze hachje natuurlijk niet blootstellen aan de matrakken van de “Gestapo”. Walter Debock heeft nooit één ruit ingeslagen.

Hoe betrouwbaar het geheugen van de soixantehuitards is, blijkt uit het volgende. Guy Polspoel zegt dat Debock een “womanizer” was en nooit voor twee uur ’s nachts op café verscheen. Terwijl Ludo Martens beweert dat Walter Debock iedere morgen om negen uur in de kroeg opdook met zijn dossiers. De waarheid is dat Debock, net als Goossens en Martens, een puritein was met een pastoorsmentaliteit, altijd netjes in het pak en bijna nooit op café te zien, laat staan dat hij zijn huid riskeerde in woelige betogingen waar klappen vielen. Debock, de womanizer! Om u een kriek te lachen! Ja, pastoors, dat waren ze. Goossens kwam trouwens uit het seminarie en Martens had getwijfeld tussen jezuïet worden of geneeskunde studeren.

Ludo Martens heeft nooit een voet in een fabriek gezet en nooit, al was het maar een uurtje, als arbeider gewerkt. Maar de anderen stookte hij op om hun studies op te geven en arbeider te worden. Hoeveel levens van naïeve idealisten heeft hij zo verwoest? Zelf was hij als leider ‘vrij gesteld” en liet anderen voor hem werken. Want al deze politieke arbeiders moesten een groot deel van hun loon in de revolutionaire kas storten. En uit die kas betaalde Martens dan zichzelf.

Autist

Martens is een autist zonder het minste empatisch vermogen. Spelen met de maatschappij, mensen manipuleren is zijn enige hobby. Die mensen zijn voor hem slechts onpersoonlijke voorwerpen die hij voor zijn doeleinden gebruikt en als oud vuil weggooit als hij ze niet meer kan gebruiken. Niet Goossens of Debock, maar Martens was de dictator van de Leuvense soixantehuitards. Dat bleek alleen al uit de manier waarop hij zijn luitenanten behandelde. Martens schoffeerde zijn pionnen Goossens en Debock waar iedereen bijstond. De twee helden stonden er met hangende pootjes bij en waagden het niet ook maar het minste weerwerk te bieden. Als Goossens of Debock met de rector gingen discuteren of met de pers, peperde Martens hen op voorhand grondig hun lesje in en het was hen geraden niet van de lijn af te wijken of er zwaaide wat.

Paul Goossens is zeer toevallig voor de buitenwereld de grote studentenleider geworden omdat hij bij een van de eerste betogingen wat onzin in een megafoon had staan roepen terwijl de televisie stond te filmen. Daarmee werd hij plots beroemd. Dat kwam de stugge en houterige Martens goed uit en vanaf dan schoof hij zijn populaire stroman vooruit in de media en trok in de coulissen grinnikend aan de touwtjes. Maar Goossens zelf had niets in de pap te brokken. Hij was een soort sprekende pop die door Martens met de afstandsbediening werd bestuurd. Maar de mythe Goossens was geboren.

Jef Douwe vertelt dat hij op kot zat naast Goossens en dat deze een seksleven leidde om u tegen te zeggen. Polspoel zegt: “Paul was echt een geliefd leider. Hij moest de vrouwen van zich afhouden. Hij hield wel wat afstand. Je zou het hem niet geven, maar Walter Debock, dat was altijd een womanizer, wow, de mooie vrouwen!” Allemaal straffe praat van zestigers die opscheppen over wat ze toen meegemaakt hebben. De werkelijkheid zag er heel wat prozaïscher uit. Goossens was een pastoor, is het nog altijd, en was gewoon bang van vrouwen. Een voorbeeld. Nadat de media hem tot grote studentenleider hadden gestileerd, zaten ze eens in de kroeg en iemand zag door het venster een fotomodel uit het Antwerpse aankomen die verliefd was op Goossens. De grote leider schoot in paniek en ging zich op de zolder van het etablissement verstoppen.

En Debock met zijn harem schoonheidskoninginnen? Pure mythologie achteraf. Misschien heeft Polspoel Debock zo nu en dan eens het woord zien richten tot een studentin om haar de eerste beginselen van de revolutie bij te brengen, zonder het minste succes trouwens. Ook Ludo Martens geraakte maar niet van de straat tot hij vele jaren later er toch in slaagde zich een negerin als verloofde aan te schaffen. Goossens had succes bij de vrouwen wegens zijn bekendheid, maar het bleef, wat hem betrof, allemaal zeer christelijk en platonisch, maar de andere leiders hadden totaal geen succes bij het zwakke geslacht. Wie zou zo’n kurkdroge zuurpruimen ook gewild hebben?

“Het Vaticaan”

De SVB-bar (de bar van de studentenvakbond) wordt in Humo voorgesteld als “het Vaticaan van het rode Leuven”. Welnu, dit was een totale miskleun. Er kwam geen hond over de vloer en vrouwen al helemaal niet. Wie zou in zo’n ongezellig en grijs kot waar de geur van het communisme in de lucht hing, nu een pint gaan drinken of een lief gaan zoeken? Ge moet wel gek zijn! Vrouwen kon men vinden op de thé-dansants of in de Macumba, maar daar verschenen de revolutionairen nooit. Zoveel zelfkennis hadden ze wel dat ze inzagen dat ze, houterige klazen die ze zijn, daar als olifanten in een porseleinwinkel zouden rondgelopen hebben en dat ze met hun wereldvreemde manier om met mensen om te gaan door iedereen uitgelachen zouden worden. Hun uitleg was dat ze aan dat bourgeoisgedoe niet meededen. Ze hingen dus wat rond in de SVB-bar waar nooit meer dan twee man en een paardenkop zaten in de ijdele hoop dat de vrouwen door hun grote geestelijke capaciteiten op politiek gebied zouden aangetrokken worden; “Juffrouw, wat denkt ge van de uitbuiting van de arbeiders door het monopoliekapitaal?” Nee, dan nog liever: “Ken ik u niet ergens van?”

Een seksnummer van Ons Leven (3 februari 1967) uitgeven, dat wel. Een grote bek opzetten over de seksuele revolutie, maar de praktijk van de heerschappen was pathetisch. Om nog verder te illustreren wat voor gefrustreerde en verwrongen geesten deze studentenleiders waren, nog een voorbeeld. Het linkse icoon en souxantehuitard Cohn-Bendit heeft indertijd een boek geschreven waar hij nu niet meer aan herinnerd wil worden en waarin hij vertelt hoe hij in de jaren 60 deelnam aan een “project” van seksuele opvoeding. Hij “experimenteerde” met kleine kinderen door voor de klas zijn piemel te voorschijn te halen en de kleintjes mochten die dan nader onderzoeken en betasten.

Drugs

Waar in Humo met geen woord over gerept wordt, is drugs. Het ging toch indertijd niet alleen over politiek, maar ook over seks, drugs & rock ’n roll. De soixantehuitards hebben ook drugs gepropageerd en ingevoerd in de “nieuwe cultuur”. Plots doken ze overal op aan de universiteiten.

De pionier in Leuven was Wilfried Hendrickx, een student die nooit door het eerste jaar geraakt is. Later is hij een van de sterreporters van Humo geworden en soms begon hij een zin in zijn artikels als “Tijdens mijn universitairie studies…. “of “Toen ik nog aan de universiteit zat…”. Hendrickx was gaan werken op de toenmalige Kongoboot die voer tussen Antwerpen en Matadi en was teruggekomen met een enorme hoeveelheid Kongolese wiet in grote plastiekzakken. De hele incrowd ging zich bij hem bevoorraden. Maar het duurde niet lang of iemand had zijn mond voorbijgepraat. Het is te zeggen, hij had het aan zijn moeder verteld die naar de politie gelopen was. Na één dag in de politiecel had de held Hendrickx vrijwel iedereen verraden. Alleen de grote leiders had hij niet vernoemd. De zaak haalde de frontpagina’s van alle kranten. Er kwam een gigantische rechtszaak van waarbij iedereen probatie kreeg omdat er kinderen van hooggeplaatsten bij waren. De soixantehuitards die aan vervolging ontsnapt waren, hebben heel hun leven zorgvuldig verzwegen dat ze in Leuven aan de jointen zaten om hun carrière niet te schaden. Zij die de mond vol hebben over “zich outen”. Heel wat U van de huidige BV’s in de media, politiek, willen niet meer geweten hebben dat ze toen in Leuven wiet pafte tot het hun oren uitkwam.

Hoe gekker, hoe beter

Op een mooie lentedag zaten een aantal soixantehuitards in de tuin van de hoeve van de dichter Verstraete, even buiten Leuven. Er logeerde enkele Australische aboriginals bij de dichter. Het devies in die tijd was: hoe gekker, hoe beter. Om sociaal succes te hebben, moest men avonturen beleven die te gek waren. Afijn, iedereen begon jointen te roken, met inbegrip van aboriginals. Met totaal onverwachte gevolgen. Onze Australische vrienden gingen compleet door het lint en kropen in de in bloei staande bomen van boomgaard. Gelachen dat er werd! Dat was ’s avonds natuurlijk hét succesnummer in de kroeg. Aan iedere nieuwe lading stamgasten moest het verhaal weer in geuren en kleuren verteld worden met als gevolg steeds meer prestige voor de deelnemers aan deze te gekke happening.

Op een dag vertelde Hendrickx over een merkwaardige hobby van Walter Debock, een van de topluitenanten van Martens. Als zijn ouders niet thuis waren, nodige hij Wilfried Hendrickx uit om aan naaktdansen te doen. Dat gebeurde ’s avonds in de tuin. De toprevolutionair hoste dan in de tuin rond, poedelnaakt met een alleen een zwarte buishoed op, terwijl Hendrickx hen vanuit het venster moest gevangen houden in de stralen bundel van een toneelschijnwerper. Volgens Hendrickx kon met het moeilijk dansen noemen, het was een soort ongecontroleerd spastisch rondspringen. Ook een communist heeft natuurlijk recht op wat ontspanning.

 
Snelkoppelingen
't Pallieterke Digitaal
knop-marcus
knop-abonnement
knop-video
knop-kleef
Met steun van
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner