De Maddens-doctrine en de Vlaamse (on)macht
Het boek is een helder boek, zoals Manu Ruys in het voorwoord terecht stelt. Wij kunnen de oud-hoofdredacteur van de Standaard alleen maar bijtreden: Omfloerst separatisme is één van de beste boeken die de voorbije jaren over de Vlaams-Franstalige verhoudingen zijn verschenen.
De naam van de Leuvense politicoloog Bart Maddens zal nog jarenlang bijna uitsluitend worden gerelateerd met de zogenaamde Maddens-doctrine die stelt dat de Vlamingen pas een staatshervorming zullen kunnen realiseren door een afwachtende houding aan te nemen. De Franstaligen zullen snel geld nodig hebben en dan kunnen de Vlamingen hun eisen op tafel leggen.
Maar Maddens heeft intellectueel zoveel meer in zijn mars. Dat blijkt overduidelijk uit Omfloerst separatisme: van de vijf resoluties tot de Maddens-strategie waarvan de titel verwijst naar een toespraak van Albert II. Die waarschuwde in
Maar eigenlijk komt het boek pas echt in een stroomversnelling met een analyse van de intrede van Guy Verhofstadt in de Wetstraat
Vlaamse beweging herleeft
Volgens de Leuvense politoloog is 1999 dan ook een breekpunt in de Belgische communautaire geschiedenis. Of men nu voor het Belgische overlegmodel is of niet, tot dan functioneerde het volgens een aantal ongeschreven regels: een akkoord wordt pas bereikt wanneer de twee partijen water in de wijn hebben gedaan en iets in de wacht hebben gesleept. In 1988-1989 rees aan Vlaamse kant gemor op over de betonnering van de faciliteiten, maar er was ook sprake van een door Vlaanderen geëiste extra bevoegdheidsoverdracht. In 1992-‘93 kregen de Franstaligen meer geld, maar werd ook de lang geëiste rechtstreekse verkiezing van gemeenschaps- en gewestraden aangenomen.
Na 1999 was het voorbij met dat spel van geven en nemen. Wat de Franstaligen wisten binnen te rijven via de Lambermontakkoorden en de Lombardakkoorden stond in verhouding tot de Vlaamse eisen die werden ingewilligd. Vlaamse mandaten in Brussel worden met geld afgekocht. De Franse gemeenschap werd geherfinancierd zonder substantiële bevoegdheidsoverdracht aan Vlaanderen. Een aantal garanties uit 1989 voor de Vlaamse minderheid in Brussel werden teniet gedaan. Maddens: “Het is volstrekt ondenkbaar dat men op een goede dag zou beslissen dat één derde van de Franstalige stemmen in de Kamer al volstaan om een bijzondere meerderheidswet goed te keuren. En nochtans is het juist dat wat paars in Brussel heeft gedaan.”
Maddens verwijst naar de Brusselse Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die gemeenschapsbevoegdheden onder haar hoede heeft die niet aan Franse of Vlaamse gemeenschap kunnen worden toegekend. In die GGC is een dubbele meerderheid nodig en hadden de Vlamingen vetorecht. Het Lombardakkoord heeft dat afgezwakt: één derde in elke taalgroep is voortaan voldoende wanneer in een eerst stemronde een dubbele meerderheid niet kan worden bereikt.
De Leuvense politoloog Wilfried Dewachter stelde toen in een interview: “Er is dan ook de onvoorstelbare belediging voor de Vlamingen in wat de hoofdstad zou moeten zijn van een tweetalig land met als meest gesproken taal het Nederlands: het kopen van Vlaamse schepenen en het loslaten van de dubbele meerderheid, het enige blokkeringssysteem dat de Vlamingen er hebben.” Verhofstadt wou de Vlaamse Beweging neutraliseren, maar paars heeft de Vlaamse Beweging nieuw leven ingeblazen, zo stelt Maddens.
En het kon nog erger. Om een oplossing te vinden voor de niet-splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde probeerde Verhofstadt een konijn uit zijn hoed te toveren: het inschrijvingsrecht voor Franstaligen in de rand. Een inschrijvingsrecht dat veel verregaander zou zijn dan dat van het Egmontpact in 1977, zo blijkt uit Maddens’ boek. Gelukkig werd de deal door Spirit getorpedeerd.
Maddens gaat ook in op de institutionele flauwiteiten die door Verhofstadt zijn gelanceerd zoals een federale kietkring. Maddens waarschuwt: België wordt één groot BHV met directe gevolgen voor de Franstaligen in Tervuren en Huldenberg die buiten de kieskring wonen. Een nationale kieskring zal de politisering van de Franstaligheid in Vlaanderen in de hand werken. Overal waar significante groepen Franstaligen wonen, zal het FDF afdelingen oprichten en Franstalige stemmen proberen te ronselen voor zijn nationale boegbeelden.
De dynamiek dreigt nog versterkt te worden doordat de nationale kieskring in de praktijk als talentelling zal functioneren. “Ik zie de kaart van Vlaanderen (met de meest verfranste kantons paars ingekleurd) al hangen in de war room van Maingain,” schrijft Maddens cynisch.
De auteur wijst er terecht op dat de nationale kieskring dertig jaar geleden op francofoon verzet stuitte omdat men bang was dat de toen immens populaire Leo Tindemans ook in Wallonië veel stemmen zou halen. Het gaat ook in tegen de de facto confederale karakter van de Belgische instellingen zoals een paritaire ministerraad of het ontbreken van nationale partijen
Hetzelfde geldt voor Maddens voor samenvallende verkiezingen. Die maken van België meer dan ooit een schijnfederatie, om niet te zeggen een schijndemocratie: een regime dat enkel nog in stand kan worden gehouden door de democratie af te bouwen.
De gemiste kans
Maddens profileert zich in het boek niet openlijk als separatist maar ziet in een confederatie wel de enige mogelijkheid om dat separatisme af te wenden. Al gaat het hier vooral om een semantische discussie. Maddens pleit voor een confederalisme waarbij verschillende soevereine staten samenkomen om te beslissen wat ze nog samen zullen doen. Iets wat bijna de facto vandaag de dag een feit is. “De federale regering is een permanente internationale conferentie waar Vlamingen en Franstaligen onderhandelen over een federaal beleid,” zo lezen we. Volgens Maddens heeft het land nood aan een nieuw pact waarbij België wordt vertimmerd tot een confederatie.
De stap naar dat confederalisme had al in 2007 kunnen worden gezet. Na de federale verkiezingen hield de CD&V opvallend lang het been stijf, toen het om verschillende redenen moest inbinden. Er waren natuurlijk zuiver partijpolitieke redenen. Na de herhaaldelijke mislukkingen van Yves Leterme om een federale regering te vormen werd openlijk gepleit voor een paarsgroene regering, zonder CD&V/N-VA. Dat deed de Vlaamse christendemocraten overstag gaan.
Bovendien werd het Belgische establishment in het najaar van 2007 steeds nerveuzer. In november werd een economisch crisisgevoel in de publieke opinie gecreëerd. De Vlaamsgezinde krachten bij de CD&V werden in het defensief gedrongen en het pro-Belgische kamp haalde daarbij de overhand. Een belangrijke rol in deze mentaliteitswijziging speelt ongetwijfeld Luc Coene, vice-gouverneur van de Nationale Bank die in december 2007 een interview waarschuwde voor de negatieve economische gevolgen van de crisis. Een maand later kwam hij daarop terug en stelde hij dat hij gewoon een signaal gad willen geven. Maddens daarover: “Met andere woorden, enkel een overdrijving, om niet te zeggen een leugen, bedoeld om politici aan te zetten tot Belgische redelijkheid.”
Volgens Maddens waren de onderhandelingen van 2007 die van de gemiste kans. De Vlamingen moesten het been stijf houden en de Franstaligen zouden toch ingebonden hebben. Want willen zij geen Belgische regering, zij die zo aan België houden? Als men niet tot een nieuwe staatshervorming wilde komen, dan was er geen federale regering en dus ook geen België meer. Zo klaar als pompwater.
Maddens denkt niet dat de CD&V zich na de verkiezingen van 2011 aan een nieuwe lange onderhandelingsronde zal wagen. Bovendien weten de Franstaligen dat ze gewoon lang genoeg het been stijf zullen moeten houden om de Vlamingen uiteindelijk toch aan tafel te krijgen voor de formatie van een nieuwe regering.
De Vlaamse partijen hebben in 2007 geweigerd om de zogenaamde Van Rompuy-doctrine toe te passen. Maddens gebruikt die term om te verwijzen naar een uitspraak van toenmalig kamerlid en huidig premier Herman van Rompuy. Het gaat om een citaat uit een interview van 21 december 2005: “Bij de volgende regeringsonderhandelingen zal men niets bekomen als niet alle Vlamingen eensgezind zeggen: “We treden alleen in een federale regering wanneer de essentiële punten van de staatshervorming worden goedgekeurd.”
Geen staatshervorming, geen regering dus. De ultieme consequentie is dan het einde van België. Het kartel heeft volgens Maddens toen een momentum gemist.
Institutionele atoombom
Komt dit moment opnieuw terug? Het valt te betwijfelen, al opent één van de belangrijkste passages in het boek een aantal perspectieven. Het is het hoofdstuk met als titel Land van institutionele bricolage. Maddens stelt in dit hoofdstuk dat er al zoveel gebricoleerd werd met de instellingen dat een bedenkelijk manoeuvre om een dossier op te lossen (zoals BHV) meer of minder er nauwelijks nog toe doet. Zo moet er minstens een Nederlandstalige Brusselaar lid zijn van de Senaat, maar dat was niet het geval tijdens de eerste paarsgroene regering en is nu evenmin het geval. Ander voorbeeld: tijdens een studienamiddag van de Afdeling Publiekrecht aan de KU Leuven op 22 mei 2008 hadden een aantal Belgische grondwetspecialisten verzamelen geblazen. Allen waren ervan overtuigd dat het niet kon dat de Franstalige parlementen het ene belangenconflict na het ander konden inroepen, terwijl het Vlaamse deelparlement dat maar één keer kan.
Nogmaals het bewijs van het juridische en institutionele imbroglio waarin het land is terecht gekomen. Maddens is hier duidelijk: “Deze verregaande institutionele normvervaging is symptomatisch voor het fin de régime dat wij momenteel beleven. Alle middelen zijn goed om de gammele Belgische boot drijvende te houden. In werkelijkheid zinkt die steeds verder weg in het moeras van institutionele klungelarij en bricolage. Voor mij niet gelaten.”
Hier raakt Maddens de essentie van het huidige Belgische politiek. Politiek in de betekenis die de rechtsgeleerde Carl Schmitt (1889-1985) eraan gaf, namelijk politiek als politiek handelen. In zijn ogen is politiek vooral of bijna uitsluitend machtspolitiek en dat geldt dus ook voor België.
Een grondwet wordt volgens Schmitt niet gerespecteerd omwille van de grondwet, maar omwille van de politieke machtsverhoudingen. Welnu, die machtsverhoudingen zijn de voorbije jaren in België fundamenteel gewijzigd. Niet enkel politiek, ook economisch met Vlaanderen dat het gros van de belastingen betaalt en voor meer dan 80 procent van de export zorgt.
Indien de Vlamingen de theorie van Carl Schmitt volgen, dan moeten ze hun macht aanwenden en afstappen van het consensusmodel dat decennialang het Belgische politieke bedrijf bepaald heeft. Er zullen natuurlijk altijd onderhandelingengevoerd moeten worden, maar wel vanuit een Vlaamse machtspositie. En niet vanuit een doctrine dat consensus en compromis centraal stelt. Dat is namelijk de ziekte waar veel democratieën aan lijden: de politieke strijd wordt begraven in naam van de consensus. Terwijl politiek net conflict is.
In Vlaanderen zijn er maar een beperkt aantal politici en denkers geweest die deze Schmittiaanse politieke theorie onderschreven hebben. Wijlen VU-senator Lode Claes was er één van. Dat verklaarde ook waarom hij het zo moeilijk had met de CVP. Zeker in landen met een sterke christen-democratische politieke familie wordt vooral gekozen voor een consensuspolitiek en is politiek het tegenovergestelde van strijd en conflict.
Maddens sluit voor een deel opnieuw aan bij dat conflictmodel. Die gaat uit van de Vlaamse machtspositie en in die zin is de zogenaamde Maddens-doctrine (Maddens spreekt liever van een strategie) waarbij Vlaanderen geen vragende partij is voor een staatshervorming in afwachting dat de Franstaligen op droog zaad zitten, een noodzakelijke voorwaarde om meer autonomie af te dwingen. Maar ze is geen voldoende voorwaarde. Dat geeft Maddens zelf toe
De Maddens-strategie is een tweedekeuzestrategie: “Die van van Van Rompuy is superieur: niet in een federale regering stappen zonder staatshervorming. Want de Franstaligen zijn voor één zaak wel vragende partij: het voortbestaan van België. Men moet het separatisme gebruiken als stok achter de deur.” Een terechte analyse, maar Maddens stelt zich ook de vraag of de Vlaamse partijen zich in 2011 zo zullen opstellen. En wat als de Franstalige regeringen blijven kiezen voor (regionale en federale) begrotingsdeficits en op financieel vlak geen vragende partij worden? Daar heeft Maddens – afgezien van het inroepen van een belangenconflict - geen antwoord op.
Daarom is het wellicht beter om in de Schmittiaanse traditie nog een stap verder te zetten en de Belgische machtsverhoudingen concreet te laten spelen: Vlaanderen moet, zoals Philippe Moureaux (PS) in 1991, dreigen met de institutionele atoombom. Als Vlaanderen bepaalde bevoegdheden niet kan afdwingen via een onderhandelde staatshervorming, moet ze die zichzelf toeëigenen. Dat kan door rond bevoegdheden die niet de hare zijn in het Vlaams Parlement ontwerpen van decreet in te dienen. De stelling dat de grondwet hier niet gerespecteerd wordt, klinkt hol, aangezien het land al aan juridische normvervaging (cf. geen Vlaams-Brusselse senator, geen splitsing BHV) lijdt. Benieuwd of de Leuvense politoloog daar een mening over heeft. Misschien iets voor een volgend essay?
| < Vorige | Volgende > |
|---|














